Wildkamperen met drie strikes …

Verbaasd staar ik naar een zuil met daarin een klein beeldscherm. Naast de zuil een slagboom, achter die slagboom een grindveld waarop een paar campers staan. De tekst op het beeldscherm is lastig te lezen, maar ik begrijp dat ik een pasje toegestuurd krijg als ik via het internet een account aanmaak en een borg betaal. Zolang er voldoende saldo op mijn account staat, opent dat pasje op talloze locaties in Europa slagbomen voor grindvelden. Per nacht die ik op zo’n grindveld doorbreng, zal het saldo op mijn account met een bepaald bedrag teruglopen. Naast te zorgen dat er voldoende saldo op mijn account staat, lees ik verder, heb ik maar één verplichting: ik dien een toilet bij me te hebben. Als tijdens een van de regelmatige controles op een grindveld blijkt dat ik geen toilet bij me heb, dien ik het grindveld te verlaten.
Heidi, als ik weer in de auto stap en uitleg wat ik zojuist las, denkt dat ik haar in de maling neem.
“We zouden tijdens deze reis niet wildkamperen. Voor de eerste camping die ik uitkies, hebben we een speciaal pasje nodig. En welke camping verplicht mensen een toilet bij zich te hebben?”
“Deze camping!” antwoord ik en ik begrijp waar de schoen wringt. Sinds de meeste campings in Europa hun prijzen verdubbelden, kamperen Heidi en ik wild als we op reis zijn. Noem het een consumentenstaking, vandaag de dag—ook al lijken in dit geval slechts campinghouders de dupe—net zo effectief om falende overheden te dwingen de stem van het volk serieus te nemen als de hooivork ooit effectief was een aristocraat, monarch, dictator of despoot te dwingen de stem van het volk serieus te nemen en … “Stop!” hoor ik mezelf mezelf in mijn gedachten in de rede vallen. Mijn ideeën over verguisde bestuursvormen die democratischer waren en zijn dan onze huidige democratieën zijn nu niet relevant. Wat nu relevant is, is dat Heidi van deze reis een minivakantie wilde maken.
Heidi heeft met wildkamperen geen probleem, nul, maar het is vaak lastig op het juiste tijdstip de juiste plek te vinden. Te vroeg, zeg, voor zonsondergang, en het risico bestaat dat een passant trammelant maakt—wildkamperen, ontdekten we, nogal een misdaad. Te laat, zeg, na zonsondergang, en het risico bestaat dat de plek die we vinden halverwege de nacht of bij zonsopkomst niet de juiste plek blijkt te zijn. Om onszelf het risico op trammelant te besparen, heeft Heidi me laten beloven dat we vanavond en morgenavond proberen voor zes uur een camping te vinden die een voor ons aanvaardbaar prijsbeleid voert. Wandeling met Boris de kleine terriër, koken en eten, wat werken op onze laptops, uurtje lezen en onze slaapzakken in.
Om zes uur vanochtend vertrokken we uit Montelobado, het Spaanse dorp aan de Portugese grens, ter hoogte van Salamanca, waar Heidi en ik wonen. Sin prisa pero sin pausa, zonder haast maar zonder pauze, tuften we naar Pamplona, waar ik via een onbeduidend weggetje de Pyreneeën in stuurde. Ik uh… ik rijd graag op onbeduidende weggetjes en Heidi heeft met die onbeduidende weggetjes geen probleem, nul, maar ik kan niet ontkennen dat mijn zucht naar rijden op onbeduidende weggetjes ons regelmatig in de problemen brengt.
Het is maart, zaterdag 21 maart 2026, en om problemen te voorkomen, belde ik in de buurt van Pamplona met Venta Baztan, een café op de grens tussen Spanje en Frankrijk, om te informeren of het onbeduidende weggetje dat ik voor ogen had vrij was van sneeuw. Een vriendelijke vrouw liet me weten dat de hele omgeving vrij was van sneeuw. Dezelfde vriendelijke vrouw—waarschijnlijk bij gebrek aan klandizie—sloot Venta Baztan toen we daar om één uur arriveerden. Jammer. Gebruikmakend van Google Street View stond ik al een paar keer voor de deur. Alimentation Venta Baztan Bar-café Souvenirs leest de tekst op de gevel. Ervan overtuigd dat ik tussen de souvenirs een rek met sleutelhangers zou vinden, had ik me erop verheugd een sleutelhanger uit te zoeken om mijn versleten FvD-sleutelhanger te vervangen.
Regen in Montelobado sinds november. Regen tot aan Pamplona. Zon in de Pyreneeën. Benzinebrander aan, mokkapot erop, pruttel, pruttel, koffie! Man, we zaten goed, in de zon op een rotsblok tegenover Venta Baztan, Boris relatief rustig. Heidi wilde de archeologische vindplaats bij het dorp Brassempouy, in Frankrijk, graag bezoeken. Toen we koffiedrinkend op ons rotsblok via Heidi’s telefoon de openingstijden checkten, ontdekten we dat een onlinereservering noodzakelijk is voor een bezoek aan die vindplaats en dus parkeerden we drie kwartier later in het Franse Saint-Jean-Pied-de-Port, waar we door gezellige straten en over oude stadswallen zwierven en ontdekten dat de citadel van Mendiguren slechts in juli en augustus bezoekers verwelkomt—die online hebben gereserveerd.
Terwijl op een borstwering onder de citadel de brander opnieuw snorde onder de mokkapot stoof Boris tot ongenoegen van wat hangjongeren wild heen en weer op een grasveld. Heidi staarde over Saint-Jean-Pied-de-Port en het verbale geweld negerend waarmee de jongeren ons erop attendeerden dat het nogal een misdaad is Boris vrij heen en weer te laten stuiven, staarde ik naar waar ik wist dat een koning van Navarra in de twaalfde eeuw een kasteel liet bouwen. Mensen vestigden zich rond het kasteel en geleidelijk ontstond de stad Saint-Jean-Pied-de-Port, die vanaf de dertiende eeuw beter en beter werd ommuurd. Van het oorspronkelijke kasteel bleef slechts de donjon over toen Lodewijk XIII aan het begin van de zeventiende eeuw opdracht gaf de citadel van Mendiguren te bouwen. Op basis van een voorstel van de Franse militaire ingenieur Vauban, in dienst van Lodewijk XIV, werd aan het einde van de zeventiende eeuw ook de donjon gesloopt en ik grinnikte inwendig toen het verbale geweld van de jongeren naast ons toenam omdat Boris aan leek te voelen dat die jongeren aanstoot aan hem namen en wilder en wilder heen en weer stoof.
1652. Vauban, negentien jaar oud en in dienst van de prins van Condé, las ik ooit in Roussets La jeunesse de Vauban, steekt onder vijandelijk vuur tijdens een aanval van Condés regiment op de stad Sainte-Menehould, zo’n tweehonderd kilometer ten oosten van Parijs, zwemmend de rivier de Aisne over. Condé, die na wat botsingen met kardinaal Mazarin is gebrouilleerd met de Franse kroon, promoveert Vauban vanwege die zwempartij tot maistre, ruiter binnen de cavalarie, nadat Vauban de officiersaanstelling afwees die Condé hem aanbood omdat hij zich geen officiersuitrusting kon veroorloven.
Begin 1653, op pad met drie kameraden, stuit Vauban—nog steeds negentien jaar oud—op een koninklijke patrouille, die Vaubans kameraden gevangenneemt. Vauban gaat ervandoor. De patrouille zet de achtervolging in en Vauban ziet kans in een chemin creux, een smalle, uitgeholde weg, de luitenant die de patrouille aanvoert onder schot te nemen. Vauban bedingt een eervolle capitulatie, capituleert en laat zich afvoeren naar een koninklijk kamp. Kardinaal Mazarin is in dat kamp aanwezig en hij weet Vauban over te halen in dienst van Lodewijk XIV te treden. Twee jaar later benoemt de Franse militaire- en fortificatieadministratie Vauban tot ingénieur ordinaire du roi. Hij groeit uit tot een van de meest gerespecteerde mensen binnen het Franse ancien régime en bereikt uiteindelijk de rang van maréchal de France, wat niet is waarom ik inwendig grinnikte.
Vauban, daarvan ben ik overtuigd, had ballen van staal. Zonder voor wat vestingbouw betreft op meer opleiding te kunnen bogen dan de spreekwoordelijke twee jaar zandbak en drie danslessen drukte hij zijn architectonische stempel op tientallen places fortifiées. De vier- vijfentwintig jaar oude, gekoptelefoonde, energiedrankjesdrinkende, over telefoons gebogen jongeren die naast ons op en tegen Vaubans erfgoed hingen, kunnen waarschijnlijk bogen op een ordner vol diploma’s maar zwemmend een rivier oversteken, al dan niet onder vijandelijk vuur, en daarom grinnikte ik inwendig, leek geen optie te zijn en een stempel drukken op iets anders dan lamlendigheid was … pruttel, pruttel! Boris sprong via een geschutspoort op de borstwering en ging hijgend naast de brander liggen. Ik verdeelde koffie over twee mokken en terwijl we koffiedronken, probeerde Heidi op haar telefoon een camping te vinden die een voor ons aanvaardbaar prijsbeleid voert.
Van Saint-Jean-Pied-de-Port tuften we naar het noordoosten. Het is inmiddels zes uur en ik zie dat Heidi accepteert dat ik haar niet in de maling neem.
“Pasje of geen pasje,” zegt ze, “ik denk niet dat we het daar naar onze zin zouden hebben,” en ze knikt in de richting van het grindveld achter de slagboom waarvoor we staan. Ze pakt haar telefoon uit de houder op het dashboard, rommelt met het ding en zegt: “Ik heb de locatie van een andere camping naar de tomtom gestuurd.”
Naast mijn zucht naar rijden op onbenullige weggetjes brengt ook Heidi’s navigatie ons regelmatig in de problemen. De zon, die zakkend naar de horizon niet van mijn linkerschouder wijkt, stelt me voor wat die navigatie betreft gerust en als we na een halfuur opnieuw tot stilstand komen naast een zuil met daarin een klein beeldscherm, zegt Heidi: “De twee campings die ik vond, zijn gemeentecampings. Misschien zijn Franse gemeentecampings overgenomen.”
Ik vraag Heidi een camping te zoeken die een voor ons onaanvaardbaar prijsbeleid voert en als we om vier minuten over acht, de zon al even onder, het hek van een camping net voorbij het dorp Cazaubon dicht zien rollen, geven we het op. We rijden via een onverharde weg naar de oever van het meer van Uby en het risico accepterend dat de plek die we vinden halverwege de nacht niet de juiste plek blijkt te zijn, bereidt Heidi bij het licht van de Petzl op haar hoofd op de brander ons avondeten. Ik schenk water in Boris’ drinkbak, zet de tent op, leg matjes, kussens en slaapzakken in de tent en vouw campingstoelen uit.
Geen maan. We durven het niet aan een kampvuur te maken, maar half in onze slaapzakken gekropen op onze campingstoelen, borden op schoot, genieten we van ons avondeten en van de rust van de omgeving. We wandelen met Boris, werken wat op onze laptops, lezen een uurtje bij het licht van de Petzls op ons hoofd, storten moe in bonken en zijn de volgende ochtend, mokken dampende koffie en thee in de hand, al voor zonsopkomst onderweg. In Villeneuve-sur-Lot, op een kade aan de rivier, onze benen bungelend boven het water, Boris relatief rustig, ontbijten we in de ochtendzon en als we rond tien uur via een onbeduidend weggetje op het kasteel van Bonaguil aansturen, denk ik, zoals ik dat vaak doe als ik op tastbaar bewijs stuit van de grandeur van het leven van de meeste van onze voorouders, aan Orwells Oceanië en de leus van de Partij: wie het verleden beheerst, beheerst de toekomst en wie het heden beheerst, beheerst het verleden.
Grappig wel. Orwells 1984 werd in 1949 positief ontvangen. Als ik in een socialemediabericht voorbeelden geef van hoe hij in dat boek de spijker op de kop slaat, krijg ik zonder dat ik me kan verdedigen van de computers van het socialemediaplatform waarop ik het bericht plaats een strike. Drie strikes en ik word van dat platform gebannen—of gearresteerd. Ik uh… ik dien op last van het Ministerie van Liefde van de EU in nieuwspraak te communiceren om te voorkomen dat ik mensen tot misdenk verleid. Het Ministerie van Waarheid van de EU bekommert zich ondertussen om het vervalsen van de geschiedenis, en mijn gedachten dwalen naar de parlementsverkiezing van de regio Castilië en León vorige week zondag.
Het was druk in het anders uitgestorven Montelobado. Na een wandeling met Boris door de velden rond het dorp—het was even droog—liepen we het gemeentehuis voorbij op het moment dat een concejal, een gemeenteraadslid, naar buiten stapte. Of we gingen stemmen, was de vraag die hij bij wijze van groet stelde. Ik voelde niets voor een gesprek over het mogelijke recht dat Heidi en ik als buitenlanders hebben in Castilië en León te stemmen en omdat we nooit stemmen, antwoordde ik ondanks Heidi’s por in mijn ribben: “Nunca voto ik stem nooit—” enkelvoud om niet voor Heidi te antwoorden.
“Nunca votas je stemt nooit,” reageerde de concejal ontstemd.
“Nunca voto,” herhaalde ik voor de zekerheid, een schuin oog op Heidi.
“Así se destruye la democracia op die manier vernietig je de democratie.”
“Con mucho gusto met veel plezier,” flapte ik eruit.
“En wat wil je dan? Een dictatuur? El generalísimo?”
Boris hapte naar een van mijn broekspijpen, Heidi greep naar mijn mouw en plotseling nijdig wierp ik vriend Boterletter voor de voeten: “Je bent tweeënzeventig, vertelde je me een paar weken geleden. Dat betekent dat je ten minste tien jaar bewust onder Franco hebt geleefd. Je zou de eerste Spanjaard zijn die ik ken die over Franco iets negatiefs te melden heeft.”
“Het leven was goed onder Franco, maar we konden onze regering niet kiezen.”
“Ah! Democratie is goed omdat je de definitie ervan kent! Gilipollas sukkel! Kijk om je heen en je ziet democratie: de grootste maatschappelijke puinhoop ooit gecreëerd,” en terwijl Boris aan mijn broekspijp schudde en Heidi me met zich meesleurde, riep ik over mijn schouder: “Het leven in wat we een democratie noemen, lijkt prachtig omdat we de kleine groep mensen die ons leven beheerst de vrijheid geven onze geschiedenis te beheersen.”
Ik grinnik inwendig bij de gedachte aan dat relletje met een gemeenteraadslid, dat zich in pak A had gehesen om een stem uit te brengen op mensen die hij nooit ontmoette maar die Castilië en León een betere toekomst garanderen en als ik onder het kasteel van Bonaguil parkeer, bedenk ik dat juist in deze tijd de democratie kans van slagen heeft. Wat als een computer elk woord van iedere politicus onder de loep neemt? Technisch geen probleem, socialemediaplatforms bewijzen dat. Eén demagogische opmerking, strike! Eén leugen, strike! Eén lelijke opmerking over een collega, strike! Man, we hebben het lijstje van ongewenst gedrag voor politici snel compleet. Drie strikes en een politicus wordt uit de politiek gebannen en wat … wat, nondeju, als we hetzelfde systeem toepassen op de journalistiek …?
Terwijl Boris om ons heen stuift, dwalen we rond het kasteel van Bonaguil. Wat een tof kasteel! Bérenger de Roquefeuil, een Franse edelman, bouwde de toren met woonvleugel die hij aan het einde van de vijftiende eeuw erfde uit tot een forse vesting. Wie de geschiedenis bestudeert, leert dat De Roquefeuil een wereldvreemde idioot was die niet begreep dat de tijden veranderden. Wie het kasteel van Bonaguil bestudeert, leert dat De Roquefeuil een genie was die een middeleeuws kasteel zodanig aanpaste dat het de zich ontwikkelende artillerie nog jaren voor zou blijven.
De hele dag zou ik piekerend rond en door het kasteel van Bonaguil kunnen dwalen, maar voordat de zon zijn hoogste punt bereikt, snort op een borstwering onder het kasteel de brander onder een pan waarin Heidi een omelet bakt. Kort daarop tuffen we noordwaarts tot we rond zes uur voor de derde keer tijdens onze reis naast een zuil met daarin een klein beeldscherm tot stilstand komen. Heidi rommelt met haar telefoon en het schemert als de tomtom ons via een landweg naar een groot landhuis loodst en zegt dat we onze bestemming hebben bereikt. Ik stap uit, bel aan en als een jonge vrouw de deur opent, vraag ik: “Je m’excuse de vous déranger sorry dat ik u lastigval, maar is hier een camping of was het dom mijn vrouw te laten navigeren?”
De vrouw, twee kinderen omklemmen inmiddels haar benen, schiet in de lach en antwoordt: “Désolée, maar er is hier geen camping.”
Ik heb het gevoel dat de vrouw er een is om paarden mee te stelen en vraag brutaal: “Is het een probleem als we vannacht op uw gazon kamperen?”
“Pas du tout absoluut niet. Vous avez besoin de quelque chose hebben jullie iets nodig?”
Als we de volgende ochtend net voor zeven uur in het dorp Aubigny-sur-Nère parkeren, is Café Le Bergerac al open. De gevel van dat café herinnert me eraan dat een Franse koning het dorp tijdens de honderdjarige oorlog voor bewezen diensten aan een Schotse edelman gaf. Veel huizen in Aubigny-sur-Nère zijn typische Schotse vakwerkhuizen. Boris krijgt van de vrouw die de toog van Café Le Bergerac bemant een bak water en een stuk vlees. Heidi, als we terwijl we koffiedrinken een spelletje Amigo spelen, wint acht euro. Nog zevenhonderd kilometer te gaan naar Nederland …
Meer lezen? Neem een kijkje in de webshop.



