De troubadour …
- Nikko Norte

- 16 uur geleden
- 12 minuten om te lezen
“Hé, jij bent Nikko van de FvD en dat is Boris!” roept een man uit in het Nederlands als Boris de kleine terriër en ik in de Spaanse stad Zamora de Mediamarkt uit lopen.
“Ik uh… ik denk dat je me verwart met Lidewij de Vos,” antwoord ik. “Dat gebeurt vaker,” en omdat alleen Heidi soms geestig vindt wat ik denk dat geestig is, ben ik verrast als de man lachend zegt: “Nee, natuurlijk ben je niet ván de FvD, maar ik zie je af en toe bij Forum Inside. Ik lees je blogs en heb je boek over de stieren gelezen. Ik heb geprobeerd het vervolg te bestellen, je verhaal over Afghanistan, maar dat ging mis.”
We praten even en ik leer dat de man, Henk, in een dorp woont in de buurt van het Almendrastuwmeer, niet ver van waar Heidi en ik wonen. Het huis dat hij een paar jaar geleden kocht, heeft hij verbouwd en vorige week verkocht. Met vrouw en kinderen verhuist hij eerdaags naar het noorden van Spanje. Nadat ik Henks e-mailadres naar Heidi heb geappt, beloof ik hem een exemplaar van Onvoorspelbaar verleden te sturen als het boek eerdaags opnieuw en herzien wordt uitgegeven en we schudden elkaar de hand. Henk stapt de Mediamarkt binnen; ik wandel naar een grasveld, waar Boris kan rennen, en bel ondertussen onze boekhouder.
Maandag 5 Januari. Na een deels doorwaakte nacht begon ik nukkig aan deze dag. Een Amerikaanse uitgever appte me afgelopen vrijdag dat hij in een verhaal dat ik ooit schreef en dat hij wil publiceren, was gestruikeld over de zinnen: ik probeer me te concentreren op een vallende sneeuwvlok, dan op een andere, en denk aan Freud, die in 1938 Wenen ontvluchtte vanwege de antisemitische maatregels die daar toen werden doorgevoerd. Binnenkort ontvluchten Heidi en ik Oostenrijk, en Freud bedacht lang geleden waarom we dat ooit zouden doen. Menselijk leven, volgens Freud, is niet iets om wild mee te experimenteren.
Van alles wat ik in dat verhaal schrijf over de vaccins die de mensheid in 2022 van covidgerelateerde extinctie zouden vrijwaren, waren dát de zinnen waarover die uitgever struikelde en van de appcussie die volgde, begreep ik niets.
Uitgever: If we publish you fled Austria because of mandatory vaccination, framing that as a reason for exclusion, it will be read as a political claim and state coercion.
Ik: Good!
Uitgever: Your claim will be treated as factual assertion, not literary texture.
Ik: Fuck me!
Uitgever: Editorial risk outweighs narrative freedom. Your claim is a real world claim about political events and policies.
Ik: I know; I wrote it!
Uitgever: Please create perception other than cause/fact. Consider: “In a period of political tension around vaccination policy, we thought it best to leave Austria.”
Ik: What about my claim that Freud left Austria because of the antisemitic measures being implemented there? Will that not be read as a political claim and state coercion?
Uitgever: No.
Dat uh… dat deed me de afgelopen drie nachten deels doorwaken. Vanmorgen, na ons ontbijt en een korte wandeling met Boris, appte ik de uitgever dat ik mijn verhaal intrek. Ik werkte een paar uur aan De herziene holbewonercode, negeerde het vreemde gedrag van mijn computer, wandelde met Heidi en Boris door de velden rond Montelobado, een dorp ten westen van Salamanca, waar Heidi en ik een halfjaar geleden neerstreken, en nadat ik weer achter mijn computer was gaan zitten, had ik geen andere keuze dan Heidi te hulp te roepen.
“Is dit de eerste keer dat je computer zichzelf op deze manier uitschakelt?” vroeg Heidi.
“Nee, maar …” “Pak de externe harde schijf,” viel Heidi me in de rede, “dan kijk ik wat er te redden is.”
Die externe harde schijf vond ik snel en al even snel zat Heidi te foeteren achter mijn computer terwijl ik in de rats zat. Elke paar weken doet mijn computer iets waarvan ik schrik en telkens weer, nadat Heidi het ding tot de orde heeft geroepen, neem ik me voor zorgvuldiger te zijn met het maken van kopieën van mijn werk. Maar ik werk aan zoveel documenten tegelijkertijd dat wat ik me voorneem snel verzandt. Ruim een uur foeterde Heidi. Ik zette thee en koffie en ijsbeerde door ons huis tot Heidi zei: “Je computer start niet meer op, maar ik denk dat ik alles heb kunnen kopiëren. Hoe oud is dat ding?”
“We kochten ’em in Feldkirch toen we nog in Oostenrijk woonden. 2020? 2021?”
“Ach,” zei Heidi, “daar kwamen we goed weg.”
“Huh…?”
“Je gaf de eigenaar van de winkel een lel toen hij ons naar buiten probeerde te duwen omdat we niet gevaccineerd waren.”
“Das war einmal, maar wat nu?”
“Mediamarkt. Salamanca of Zamora.”
Ruim een uur geleden vertrokken we van huis en … “Ignacio,” klinkt een stem uit mijn telefoon.
Ik leg Ignacio, onze boekhouder, uit dat onze pinpassen weer zijn geblokkeerd.
“Te llamaré en dos minutos ik bel je over twee minuten terug,” onderbreekt hij me en hij verbreekt de verbinding. Verbaasd wacht ik af en als Ignacio terugbelt, legt hij uit dat hij net voor sluiting van de bank heeft kunnen bellen met Antonio, directeur van een bankfiliaal bij wie Heidi en ik een rekening openden nadat we in Montelobado neerstreken. Antonio, aldus Ignacio, bevestigde dat Trafico, de Spaanse RDW, net als twee maanden geleden, beslag heeft gelegd op onze rekening.
Voordat Heidi en ik in 2019 naar Oostenrijk verhuisden, woonden we een paar jaar in Spanje. Onze Renault Kangoo gaf tijdens een reis naar Nederland in Nederland de geest. We mailden een kopie van het internationale sloopbewijs dat we van een sloper kregen naar Trafico en daarmee, zegde een medewerker van Trafico ons telefonisch toe, zou onze Kangoo zijn afgemeld. Een paar maanden geleden kregen we bericht over onze gesloopte Kangoo, die niet bleek te zijn afgemeld. We meldden het ding alsnog af en een maand later, na een beslaglegging op onze rekening, belastte Trafico ons voor zeven jaar wegenbelasting. Ignacio tekende bezwaar aan—Heidi had het sloopbewijs bewaard—maar er is iets misgegaan, legt Ignacio uit, want Trafico wil die wegenbelasting opnieuw incasseren en als hij een kreet slaakt, besef ik dat ik Boris niet had moeten fluiten met de telefoon in de buurt van mijn mond toen ik Heidi met een doos in haar armen de Mediamarkt uit zag lopen.
“Nada,” zegt Ignacio als ik me verontschuldig en terwijl Boris en ik naar Heidi rennen, laat hij daarop volgen: “Zodra Trafico die wegenbelasting heeft geïncasseerd, wordt het beslag op jullie rekening opgeheven. Ik zal opnieuw bezwaar aantekenen.”
Rennend verbreek ik de verbinding. Boris, die naast me rent, springt opzij, een vraagteken op zijn snuit, als ik struikelend over een stoeprand ternauwernood overeind blijf en ik grinnik inwendig als ik besef hoe de mensheid zich sinds de invoering van de leerplicht wentelt in een werkelijkheid die grotendeels op drogredenen leunt. Pedagogen—die kinderen voornamelijk leren gehoorzaam te zijn—conditioneren de aanstormende generatie te geloven dat het nieuwe monetaire systeem, dat zonder democratische instemming in westerse landen wordt uitgerold, een geweldig, gemakkelijk en veilig systeem is omdat het oude systeem niet geweldig, gemakkelijk en veilig was. Wat pedagogen de aanstormende generatie verzuimen mee te geven, is dat het nieuwe monetaire systeem niet slechts de regels bepaalt van geldstromen in onze economieën, maar ook, zonder tussenkomst van een juridische autoriteit, ongehoorzaamheid bestraft en … Boris springt tegen Heidi op. Ik neem de doos uit haar armen en voordat ik iets kan vragen, zegt ze: “Papa en Kitty hebben je computer vanuit Nederland betaald. Heb je Ignacio gesproken?”
“De wegenbelasting voor die oude Kangoo wordt opnieuw geïncasseerd.”
Heidi schiet in de lach en zegt: “Het zal weer eens niet zo zijn. Maar nu ik aan die Kangoo denk, denk ik aan die antieke Citroën C-15 waarin we reden voordat we die Kangoo kochten en waarmee we van Frankrijk, in …” “2016,” vul ik aan, “… naar Spanje verhuisden,” maakt Heidi haar zin af. “In de Pyreneeën wilde je op een idiote plek koffiezetten. Net toen je water op de koffie goot, schoot die C-15 door de handrem. Ik heb nog nooit iemand zo hard zien rennen.”
Het is mijn beurt in de lach te schieten als ik in mijn gedachten die C-15 in de sneeuw op een ravijn af zie rollen, ons hele aardse bezit in de achterbak. Ik haalde hem in, rukte een portier open, sprong achter het stuur en bracht hem tot stilstand en mijn gedachten springen naar Afghanistan, waar een Amerikaanse soldaat ooit tegen me zei dat hij nog nooit iemand zo hard had zien rennen.
Ver voor de Humvees uit van het Amerikaanse peloton waarmee ik er dagelijks opuit trok—lang voordat Nederlandse troepen in 2006 in Afghanistan arriveerden—liep ik speurend naar eventuele bermbommen in een wadi in een hinderlaag. Van ten minste twee kanten bracht onze oppositie vuur op me uit en ik rende naar de enige boom in de wadi, waar ik me liet vallen en terugvuurde met mijn Diemaco terwijl kogels afketsten op de kiezels en keien om me heen. De boordschutter van een van de Humvees die me te hulp denderden, vertelde me later dat hij ondanks onze situatie in de lach was geschoten toen hij me zó hard zag rennen dat de tulband die ik droeg deels ontrolde. Het ontrolde stuk stof had strak naar achteren gestaan en … Boris zet zijn tanden in mijn broekspijp en Heidi vraagt of er iets aan de hand is.
“Niets aan de hand,” mompel ik en ik weet dat dat niet waar is, want de heimweeachtige gemoedspijn speelt op die altijd opspeelt als ik aan Afghanistan denk. Man, ik was gelukkig in Afghanistan en om te voorkomen dat ik nog een uur in mezelf gekeerd door Afghaanse nederzettingen struin en theedrink met dorpsoudsten vraag ik: “Koffie in Zamora?”
Al maanden regent het in dit deel van Spanje. Rond Kerstmis was het een paar dagen droog en ook vandaag is het droog, de lucht strakblauw, de zon aangenaam warm. De tomtom loodst ons een parkeergarage in en tot we de kathedraal van Zamora in zicht krijgen, zijn we niet onder de indruk van Zamora. Straten van kinderkopjes, dat wel, maar van de middeleeuwse sfeer waarop ik had gehoopt, is geen sprake, wat verandert als we voor de kathedraal langs naar het kasteel van Zamora lopen. Al snel zijn Heidi en ik niet langer twee toeristen, maar zijn we Álvar Fáñez en Rodrigo Díaz de Vivar, Minaya en El Cid, twee ridders die in 1072 in dienst van koning Sancho II van Castilië Zamora belegeren.
Twee maanden voordat we met onze legers optrokken naar Zamora hielpen we Sancho zijn broer koning Alfonso VI van León te verslaan tijdens de slag bij Golpejera en … gesloten! Het kasteel van Zamora is op maandag gesloten. Om mijn teleurstelling te beteugelen, dwing ik mezelf nog even in de middeleeuwen te blijven hangen. Ik sla mijn cape om me heen en been naar het noorden, waar ik weet dat ik in de stadsmuur El portillo de la traición moet vinden, Minaya en Boris op mijn hielen. Links, rechts en overal zijn nog sporen zichtbaar van de verwoesting die de troepen van de islamitische veldheer Almanzor aanrichtten toen ze Zamora in 986 voor de zoveelste keer belegerden en binnenvielen. Mensen schoffelen in akkertjes, dragen water en werken aan het versterken van de stadsmuur waar we op aflopen. Ezelkarren gaan af en aan en nadat we door El portillo de la traición zijn gelopen, brengt het zicht op een doorgaande weg me terug naar 2026.
We staan op een met bomen begroeide grasstrook die waarschijnlijk—zonder bomen—een paar eeuwen het vrijeschootsveld voor de stadsmuur heeft gevormd. We lopen het oude centrum van Zamora weer in, waar we voor een kerk op een bankje gaan zitten, de laatste zon van de middag op ons gezicht. Ik haal wat ik nodig heb om koffie te zetten uit mijn rugzak, zie dat Heidi bedenkelijk kijkt en om haar ervan te overtuigen dat er echt niets aan de hand is, zeg ik: “Ik wilde een keer in de voetstappen van Vellido Dolfos door Het poortje van het verraad lopen.”
“Het poortje van het verraad?”
“El portillo de la traición.”
“Er hangt bij die poort een bordje waarop staat dat het La puerta de la lealtad is, de poort van de loyaliteit. En wie is Vellido Dolfos?”
“Kijk,” zeg ik terwijl ik onze mokkapot op de brander zet nadat ik hem met water, koffie en een beetje melk heb gevuld, “in dat poortje komen geschiedenis en legende samen.”
Heidi trekt een wenkbrauw op en ik leg uit: “In 1065 overleed koning Ferdinand I van León, die ook koning was van Castilië en Galicië. Ongebruikelijk voor die tijd liet hij ieder van zijn vijf kinderen een deel van zijn koninkrijk na. Zijn oudste zoon, Sancho, zo’n zevenentwintig jaar oud, erfde Castilië. Superblij was Sancho niet, want Castilië was minder prestigieus dan León. Alfonso, Sancho’s jongere broer, erfde León, en García, Sancho’s jongste broer, erfde Galicië. Urraca, Sancho’s oudere zus, en Elvira, zijn jongere zus, erfden respectievelijk het infantado van Zamora en dat van Toro, forse domeinen binnen het koninkrijk León met veel bestuurlijke autonomie.
“In 1068 kwam het tot schermutselingen tussen de legers van Sancho en Alfonso. Geen van de partijen boekte een overwinning en in 1071 sloten Sancho en Alfonso een pact. Samen vielen ze met hun legers Galicië binnen, waar hun broer García overhooplag met een deel van zijn edelen. Ondanks dat hij nog jong was, had García tijdens de slag bij Pedroso een opstand van Portugese edelen de kop ingedrukt, maar tegen de legers van zijn broers stond hij machteloos. Hij werd gevangengenomen en naar Sevilla verbannen. Galicië kwam in handen van Sancho, het graafschap Portugal in die van Alfonso, wat duurde tot Sancho zich alsnog tegen Alfonso keerde en begin 1072 Alfonso’s legers versloeg tijdens de slag bij Golpejera.”
De mokkapot begint te pruttelen, maar ik laat me niet afleiden en verhaal: “Sancho, net als zijn vader dat was, was vanaf dat moment koning met de kronen van León, Castilië en Galicië, zijn zus Urraca, in Zamora, een sta-in-de-weg. Urraca keurde het handelen van Sancho af en ze werd gesteund door een aantal edelen uit voornamelijk León, die met hun legers toevlucht hadden gezocht in Zamora.”
Ik schenk koffie in een mok, geef de mok aan Heidi, schroef voorzichtig om mijn handen niet te branden de mokkapot uit elkaar, vul hem met water en koffie, zet hem weer op de brander en verhaal verder: “Direct nadat hij de legers van Alfonso had verslagen en nadat hij Alfonso naar Toledo had verbannen, trok Sancho op naar Zamora, de ridder El Cid aan zijn zijde. Maar Ferdinand I, Sancho’s vader, had de verdedigingswerken van Zamora—we zitten er middenin—versterkt in de jaren voor zijn dood. Het kasteel was net voltooid—de kathedraal stond er nog niet; op die plaats stond een kleine kerk—en Zamora kon niet zomaar worden ingenomen, waar het Spaanse spreekwoord no se ganó Zamora en una hora vandaan komt.
“Het beleg van de stad begon in maart 1072 en eindigde pas toen een edelman, Vellido Dolfos, Zamora uitglipte. Hij deed of hij wilde overlopen en nam Sancho mee naar wat een zwakke plek in de verdedigingswerken zou zijn. Net voordat El Cid in kon grijpen, vermoordde Dolfos Sancho. Dolfos ging ervandoor, El Cid achtervolgde hem, en net voordat El Cid hem te pakken kreeg, glipte Dolfos door het poortje waar we net doorheen liepen Zamora weer in. Het beleg van Zamora werd opgeheven en Alfonso keerde terug uit ballingschap. Hij nam Sancho’s koninkrijk over en nadat hij El Cid ervan had overtuigd dat hij niets met de moord op zijn broer te maken had, speelde hij een belangrijke rol in de reconquista.”
“Maar je stad redden is toch geen verraad?” werpt Heidi op,
“Nee, maar het vermoorden van een koning was dat in de middeleeuwen wel en pas kortgeleden is de naam van het poortje veranderd in La puerta de la lealtad.”
“Hm… maar ik denk dat we door dat poortje zijn gelopen omdat je er een verhaal over wilt schrijven. Daarom wilde je naar de Mediamarkt in Zamora, niet naar die in Salamanca. Wordt dat een verhaal over een poortje dat de grens markeert tussen geschiedenis en legende?”
“Ik uh… ik weet het nog niet. De broedertwist heeft zich voltrokken zoals ik net vertelde. Zamora werd vanaf 4 maart 1072 belegerd en Sancho ís op 6 of 7 oktober van dat jaar vermoord. Vrijwel alles wat we denken te weten over Minaya en El Cid—die echt hebben geleefd—en over Vellino Dolfos is legende.”
“Prima, maar Salamanca heeft ook geschiedenis en legendes en de Mediamarkt is daar groter dan hier.”
“Zeker waar. Maar ik wilde het kasteel van Zamora graag bezoeken. Ik wilde dat poortje zien en ja, er spookt iets door mijn hoofd over het belang van geschiedenis en legendes, waar we in het Westen van zijn vervreemd sinds we ons voor de overlevering ervan afhankelijk hebben gemaakt van pedagogen en experts. Daar komt bij dat de Abrahamitische religies ons al eeuwenlang conditioneren te geloven dat legendes werkelijkheid zijn. Ik uh… ik denk dat we vervreemd van onze geschiedenis en legendes geen toekomst hebben waarin nog gelachen kan worden, terwijl we de deur wijder en wijder openzetten voor pedagogen en experts die ons conditioneren te geloven dat de toekomst beter zal zijn dan vandaag omdat vandaag beter is dan vroeger.
“Mensen in de tijd van El Cid waren fysiek en psychisch sterker dan wij. Ze leefden langer in goede gezondheid dan wij—als ze de eerste maanden na hun geboorte overleefden en tijdens het bouwen van een kathedraal niet van een steiger vielen—vreesden nauwelijks iets, zeker God niet, koesterden hun legenden en zouden nog meer gelachen hebben dan ze al deden als een troubadour een gedicht zou hebben opgedragen dat uh… wacht even …”
“Een dag zal komen, eeuwen hiervandaan, waarop de staat de mens dwingt naar school te gaan.
Niet om te leren het leven met kennis te regeren, maar om te leren gehoorzaamheid te eren.
Een dag waarop de mens zijn geschiedenis en vrijheid van spreken zal verliezen, luid van de daken roepend dat nimmer te verkiezen.
Een dag waarop de mens door een werkelijkheid van drogredenen ploegt omdat geen kind nog leert hoe het woorden tot argumenten voegt.
Een dag waarop de mens zegt: ‘Democratie is goed omdat hij zijn overheid kiezen moet.’
Een dag waarop de mens zegt: ‘Het recht is waarlijk schoon, ondanks dat misdaad groeit, zo gewoon, zo gewoon.’
Een dag waarop geen mens zichzelf nog voedt maar zich verzorgen laat, zo goed, zo goed.
Een dag waarop de mens niet slechts legendes waarheid noemt maar ook fabels als waarheid roemt.
Een dag waarop de mens zijn trots laat gaan om als lijfeigene in het leven te staan met dineros, geloof het of niet, die ongehoorzaamheid straffen, wat een verdriet, wat een verdriet.”
Heidi, net als de mokkapot begint te pruttelen, schiet zo onbedaarlijk in de lach dat Boris en ik ervan schrikken. Maar ik laat me niet uit het veld slaan en zeg terwijl de zon achter de stadsmuur verdwijnt en ik koffie in mijn mok schenk: “Ik denk dat er pas weer gelachen kan worden zoals mensen in de middeleeuwen lachten als we beseffen hoeveel van wat we zeker denken te weten geconditioneerd geloof is en … “Ik snap het,” valt Heidi me in de rede, tranen uit haar ogen wrijved, “maar hoe wil je dat allemaal in één verhaal verwerken?”
“Tsja, dat uh… dat weet ik ook niet,” mompel ik en ik slaak een kreet als ik de mokkapot uit elkaar schroef en mijn hand brand.
Meer lezen? Neem een kijkje in de webshop.



