top of page

Hoogverraad en oom Bert …

  • Foto van schrijver: Nikko Norte
    Nikko Norte
  • 6 uur geleden
  • 11 minuten om te lezen

Heidi en ik zijn even geen vrienden. Jammer, want ik ontdekte vannacht al dat vandaag een mooie dag zou worden. Al twee maanden schommelt de temperatuur in dit deel van Spanje—en in ons huis—net boven het vriespunt en al twee maanden slaapt Boris de kleine terriër tussen Heidi en mij in, anders dan op het voeteneinde van ons bed. Geen Boris tussen ons in toen zijn zachte gegrom me wekte. Ik kwam halfovereind en zag het kereltje in de slaapkamerdeuropening zitten.

 

Vier of vijf weken oud was Boris toen we hem anderhalf jaar geleden vonden in de bergen in de buurt van de stad Antequera, in Andalusië, waar Heidi en ik destijds woonden. De paar keer dat hij me sindsdien wakkergromde, was er iets aan de hand en dus trok ik snel onder het T-shirt waarin ik sliep de joggingbroek aan die ik een paar uur eerder had uitgetrokken. Ik stapte over Boris de hal in, trok mijn Asics aan, opende de voordeur en … sneeuw! Dikke vlokken, die loodrecht vielen. Boris stoof langs me naar een muurtje tegenover ons huis, tilde een poot op—dát was er aan de hand—en keek toen pas verbaasd om zich heen. Geen maan of sterren zichtbaar door het wolkendek. Geen zuchtje wind. Boris dolde door de sneeuw die in de straten lag tijdens de korte wandeling die we maakten door Montelobado, het dorp waar Heidi en ik alweer een half jaar wonen. Ik genoot van de stilte en de vallende sneeuw. Zonder Heidi wakker te maken, kropen we weer in bed, Boris natter dan ik had voorzien.

 

Jarenlang klonk de soundtrack van de film Forrest Gump om vijf voor zes ’s morgens uit Heidi’s telefoon. Sinds kort is het een paso doble en ik moet daar nog aan wennen. Boris niet. Al na de eerste pasodobletonen hapte hij naar mijn neus. We stoeiden tot ik hem vroeg: “Waar is Heidi?”

Boris groef in onze dekbedden naar Heidi. Ik dronk voorzichtig wat ijskoud water uit de glazen fles op de nachtkast aan mijn kant van ons bed. Terwijl Heidi met Boris stoeide, stapte ik uit bed. Ik kleedde me aan, stak in de woonkamer de gaskachel aan, riep Boris en ontdekte tijdens onze ochtendronde dat het was gestopt met sneeuwen. De sneeuw waardoor we liepen, knerpte onder mijn Asics en fonkelde in het licht van de duizenden sterren aan de inmiddels onbewolkte hemel.

 

Tien minuten later, terug thuis, was het in de woonkamer al aangenaam warm. Heidi, in haar pyjama, was op de bank druk met haar dagelijkse Spaanse les. Boris dook op het eten dat Heidi voor hem had klaargezet. Ik zette de kachel op de laagste stand, zette rooibosthee voor Heidi, liet voor mezelf wat kruidnagels pruttelen in water, maakte ons ontbijt en zette Netflix aan. We ontbeten terwijl we een stukje van Grishams The firm keken en werkten alweer een uur op onze computers toen Heidi eindelijk uitriep: “Het heeft gesneeuwd!” wat samenviel met het moment dat ik mijn ongeduld niet langer kon bedwingen. Ik pakte mijn rugzak in, trok mijn bergschoenen aan en was blij dat Heidi zich aankleedde en ook haar bergschoenen aantrok.

 

Het is zondag, zondag 25 januari 2026, en op zondag doet Heidi het graag rustig aan. Geen strapatsen in de vroege uren maar strapatsen vanaf een uur of elf en dan liefst geen strapatsen waar rugzakken aan te pas komen. Het was nog donker toen we de voordeur achter ons dichttrokken en nadat we een paar stappen hadden gezet, voelde ik dat Heidi het met me eens was dat we de kans niet konden laten glippen door de versgevallen sneeuw te struinen en boven witte velden de zon op te zien komen. Maar waar ik geen rekening mee had gehouden, was dat een van Montelobado’s veertig, misschien vijftig inwoners wakker zou zijn en op straat. Een vrouw, ver in de tachtig, fitter dan menig hedendaagse twintiger, druk met het scheppen van sneeuw voor haar voordeur.

 

Ik wist beter dan te vragen of ik haar kon helpen—telkens als ik oude mensen in het dorp van dienst wil zijn, krijg ik een uitbrander—en riep in plaats daarvan vrolijk: “Nieve sneeuw!

Es la consecuencia de no hacer nada contra el cambio climático dat is de consequentie van niets doen tegen de klimaatverandering,” reageerde de vrouw en voordat Heidi in kon grijpen, vroeg ik ontsteld: “En serio serieus?

No sigues las noticias volg je het nieuws niet?

“Natuurlijk niet,” flapte ik eruit, de hand negerend die Heidi op mijn arm legde en Boris negerend, die naar een van mijn broekspijpen hapte. “Het nieuws voorziet me van miseria ellende y más miseria, niet van de informatie necesaria para tener una opinión noodzakelijk om een mening te hebben …” “… bien fundada goed gefundeerd,” vulde Heidi hoofdschuddend aan, waarop ik liet volgen: “En dat ik misschien gelijk heb, blijkt uit uw suggestie dat sneeuw in de winter iets vreemds is in Montelobado.”

Ustedes no son de aquí jullie komen hier niet vandaan,” wierp de vrouw me voor de voeten en nog ontstelder dan ik al was, bukte ik om Boris’ kaken los te wrikken van mijn broekspijp. Ik rende naar huis, trok toen ik in de hal op mijn natte bergschoenen onderuitging onze fietsen omver—die in de hal staan omdat we geen schuur hebben—knalde met mijn hoofd tegen een slaapkamerdeurstijl, krabbelde overeind, vond mijn telefoon, zette het ding aan en rende terug.

 

Via Google zag ik op mijn telefoon bevestigd dat Montelobado sinds mensenheugenis jaarlijks op ruim vijf dagen sneeuw kan rekenen en … Heidi legde opnieuw een hand op mijn arm. Ik uh... ik schudde mijn hoofd, schoof een gevoel van minachting voor mezelf terzijde en stotterde: “Perdóname sorry. Siempre he pensado que cambio es una característica del clima ik dacht altijd dat verandering bij het klimaat hoorde maar besef nu pas dat klimaatverandering onze schuld is.”

Heidi knikte tevreden, wat het einde van de komedie had kunnen zijn. Maar omdat ik nu eenmaal een vervelend ventje ben, flapte ik eruit: “Weet u misschien wat we kunnen doen om het klimaat weer terug te veranderen? En realidad, no me gusta la nieve eigenlijk houd ik niet van sneeuw.”

“We kunnen meer doen dan je denkt,” antwoordde de vrouw en Heidi gaf me een duw.

 

“Je kunt boos op me zijn,” foeterde ik terwijl we verder liepen, “maar oude mensen horen wijsheden aan ons door te geven, geen angst. En ik weet dat rampspoed en meer rampspoed de klok slaan op de Spaanse televisie en in Spaanse kranten. Dat neemt niet weg dat ik me soms afvraag hoe het tijdens onze evolutie zo mis heeft kunnen gaan dat we per se in een rampspoedsprookjeswerkelijkheid willen leven,” en toen ik Heidi uit mijn ooghoeken zag glimlachen, dramde ik door: “Wat is het waaraan we verslaafd zijn geraakt? Wat we journalistiek noemen, is al decennialang propaganda en manipulatie, die resulteren in angst, woede en polarisatie. Als junks blijven we het nieuws volgen, terwijl we nu toch moeten begrijpen dat een journalist die de hand bijt die haar of hem voedt de hypotheek niet kan betalen en dat de macht van de mensen van wie de handen journalisten voeden rechtevenredig toeneemt met onze angst en woede en met de polarisatie.

“Journalisten zijn integer en vormen de hoeksteen van de democratie omdat we op school leren dat dat zo is. Hoeveel dommer kunnen we nog worden? Waarom leren we op school niets over de milankovićcycli? Excentriciteit, obliquiteit en precessie. Ieder lagereschoolkind begrijpt het als onderwijs weer de kwaliteit heeft die het had voordat overheden zich ermee bemoeiden.

“Belangrijk, die klimaatbeïnvloedende milankovićcycli, maar belangrijker zijn de grote atmosferische systemen en patronen. De Noord-Atlantische oscillatie, de arctische oscillatie, de quasitweejarige oscillatie, de Pacifische decadale oscillatie, de Atlantische multidecadale oscillatie, de Madden-Julianoscillatie, het Pacifische-Noord-Amerikaanse patroon, plotselinge stratosferische opwarming, die de poolwervel kan verzwakken of vervormen, ENSO, waar El Niño en La Niña onderdeel van zijn, de Indische Oceaandipool, geïsoleerde hoogtedepressies—in Spanje elke paar decennia in het nieuws als DANA—Rossbygolven, atmosferische blokkades zoals de hogedrukgebieden die soms lang boven Zuid- en West-Europa blijven hangen, atmosferische rivieren, tropische cyclonen, subtropische hogedrukgordels en de Walkercirculatie. Geef me een week en ik schrijf een boekje—het corioliseffect neem ik er ook in mee—waaruit ieder lagereschoolkind bien fundado kan concluderen dat die weersystemen elkaar soms zó in de wielen rijden dat het weer in bepaalde regio’s langdurig van slag en soms extreem is. Zonnevlekcycli? Verzwakte of meanderende straalstromen?

“Als onze buurvrouw haar noticias een maand negeert en wat huiswerk doet, openbaart zich voor het beste mens een werkelijkheid die anders is dan de rampspoedsprookjeswerkelijkheid waarin ze leeft. Probleemloos legt ze haar achterkleinkinderen na dat huiswerk uit hoe de milde temperatuurstijging van de afgelopen honderdtwintig jaar en de ermee samenhangende milde stijging van het koolstofdioxidegehalte in de atmosfeer bijdragen aan ongekend gunstige leefomstandigheden op aarde en …” “Waf …” onderbrak Boris mijn tirade. Ik volgde zijn blik en zag dat nog een van Montelobado’s inwoners wakker was en op straat. Een man, ver in de tachtig, fitter dan menig hedendaagse twintiger, die, fiets aan de hand, uit zijn schuur aan de rand van het dorp stapte.

 

Elke dag fietst de man twee kilometer naar zijn huerto, zijn moestuin, om daar wat te rommelen. Ik wist beter dan hem te vragen of ik de deur van zijn schuur achter hem moest sluiten en toen hij zonder er een vriendelijk buenos días aan vooraf te laten gaan, vroeg: “Cuál es vuestra religión wat is jullie religie?” had ik beter moeten weten dan het vervelende ventje dat ik nu eenmaal ben uit Nietzsches De antichrist te laten quoten dat onze evolutie ons ten opzichte van onze recente voorouders weinig heeft gebracht dat mejor is, beter, más fuerte, sterker, en más elevado, meer verheven.

Qué wat?” reageerde de man, een hand achter zijn oor, en Heidi siste tussen haar tanden: “Stop nu! We zijn katholiek! Wat kan ons het schelen?”

“Als ik dat zeg, moet ik uitleggen waarom we straks niet in de kerk zijn,” mompelde ik in Heidi’s richting en tegen de man zei ik: “Somos ateos y we zijn atheïsten en …” de rug van Heidi’s hand, die waarschijnlijk mijn schouder had moeten raken, raakte mijn kin, wat het vervelende ventje dat ik nu eenmaal ben ervan weerhield aan te vullen dat hij de vraag wat is jullie religie als beledigend had ervaren. Terwijl Boris aan mijn broekspijp schudde, stapte de man op zijn fiets. Zonder nog een woord te zeggen fietste hij weg.

 

Heidi en ik zijn even geen vrienden. Nadat ik de schuurdeur sloot, die de man vergat te sluiten, liepen we verder, in de richting van de zon, die dieprood opkomt boven de witte velden. Heidi nukkig, ik nukkig, Boris dollend in de sneeuw. Het uh… het is wat het is, bedenk ik en mijn adem stokt als ik niet langer door de velden rond Montelobado loop, maar door de Afghaanse woestijn.

 

Gisteravond arriveerde ik met een Nederlands peloton in het ondergesneeuwde Chora, een oord zo’n dertig kilometer ten noordoosten van het Nederlandse Kamp Holland in de Afghaanse provincie Uruzgan. Nog voor zonsopkomst glipte ik vanmorgen het gebouw uit waarin Nederlandse troepen bivakkeren als ze in Chora zijn. Telkens als ik op Chora’s bazaar een bekende zag, legde ik mijn hand op mijn hart en eenmaal bij de doorwaadbare plaats in de Kamisan besefte ik hoe onbezonnen mijn plan is. Ik haalde diep adem, stapte de rivier in, vocht om mijn evenwicht te bewaren in het wildstromende water en klauterde doorweekt tot aan mijn middel de tegenoverliggende oever op.

 

Een paar weken geleden sloegen zo’n dertig Kuchi’s, nomadische veehouders, hun kamp op in de woestijn ten zuiden van Chora. MIVD-analisten proberen de evelvoerders in Kamp Holland ervan te overtuigen dat Kuchi’s wapens smokkelen voor taliban. Zoals iedere MIVD-analist hoort te weten, weet ik dat de maatschappelijke status van Kuchi’s is gebaseerd op hun neutraliteit. Daarnaast weet ik dat de kans bestaat dat het Kuchikamp waarnaar ik onderweg ben eerdaags aan de incompetentie van MIVD-analisten ten prooi valt. En omdat ik geen hypotheek heb, kan ik aan mijn morele plicht voldoen en de Kuchi’s waarschuwen. De sneeuw knerpt onder mijn Meindls terwijl ik in de richting loop van de zon, die dieprood opkomt boven de witte woestijn.

 

Op vijftig meter van het kamp ga ik zitten in de sneeuw. Een oude man loopt naar me toe. De pasthunwali, Afghanistans ongeschreven gedragsregels, verplichten de man me uit te nodigen in zijn kamp en uh... man, ik zou graag theedrinken in een van de koepelvormige, uit lappen stof opgetrokken tenten voor me. Onmogelijk. Als ik aan de uitnodiging gehoor geef, schaadt dat de neutraliteit van de Kuchi’s. Ik laat mijn geweer in de sneeuw liggen als ik opsta, leg een hand op mijn hart en wacht af. De man legt op zijn beurt een hand op zijn hart en zegt: “As-salaam aleikoem.”

Aleikoem as-salaam,” antwoord ik. “Sahar mo pakghar goedemorgen.”

De man wenkt me hem te volgen naar het kamp. Ik wijs naar de grond. De man oogt opgelucht en ik ben opgelucht als we in de sneeuw gaan zitten, de man op zijn hurken, ik in kleermakerszit. Meer dan gebarentaal en een paar woorden Pasjtoe heb ik niet tot mijn beschikking, maar … “Wil je naar de Robledobrug?” onderbreekt Heidi mijn gedachten en ik ben opnieuw opgelucht, want Heidi’s stem klinkt vergevingsgezind en, de volgende dag, zie ik door mijn verrekijker dat de woestijn ten zuiden van Chora leeg is. Ik schud me los van mijn herinneringen en antwoord: “Ja, ik wil daar koffiedrinken.”

 

Al maanden regent het in dit deel van Spanje—zoals het dat deze tijd van het jaar sinds mensenheugenis doet—maar vandaag, nondeju, ís een mooie dag en Heidi en ik zijn weer vrienden. We struinen op een besneeuwd pad tussen eeuwenoude stenen muren naar de ooit belangrijke en nu vergeten Robledobrug, in de zeventiende eeuw gebouwd over de rivier de Ulces en niet veel later, onze benen over de rand van de brug, staren we naar het wildstromende water onder ons en naar Boris, die tussen rotsblokken langs de rivieroever schooiert. Tussen ons in snort onze benzinebrander, die meer hitte afgeeft dan de gasbrander die we meestal gebruiken, en het duurt niet lang tot de mokkapot op de brander pruttelt. Ik schenk koffie in een mok, geef de mok aan Heidi en vul de mokkapot opnieuw met water en koffie als Heidi zegt: “Ik begrijp niet waarom je de waanzin van mensen altijd weer zo serieus neemt.”

“Ik begrijp het ook niet, maar het heeft iets te maken met de ontologische verandering die zich in 2020 heeft voltrokken,” en als Heidi een wenkbrauw optrekt, vul ik aan: “De werkelijkheid rust niet langer op almaar sterker wordende bouwstenen, maar op zekerheden die veel weghebben van drijfzand. Voor twijfel is geen ruimte meer en juist twijfel maakt de bouwstenen waarop de werkelijkheid hoort te rusten sterker.

“Ik was een kind toen Descartes me leerde hoe belangrijk twijfel is en …” “Dat verhaal ken ik,” valt Heidi me in de rede. “Het staat in Onbevlekte perceptie.”

“Oké, maar het verhaal van oom Bert ken je niet.”

“Oom Bert …?”

“Stille man. Ik uh… ik vond hem wel aardig. Tijdens een verjaardag, ik was acht of negen, de hele familie in de woonkamer, had ik een grote bek.”

“Joh …”

“Ik had kort daarvoor via een bibliotheekboek—daar schrijf ik over in Onbevlekte perceptie—van Descartes geleerd hoe belangrijk twijfel is. In het licht van mijn opvoeding was dat een openbaring, maar ik kon wat Descartes me had geleerd nog geen armen en benen geven. Op de dag van die verjaardag had ik een Franse Mirage uit een bouwdoos in elkaar geknutseld. Het was me gelukt het staartroer bewegend te houden. Met dat staartroer, beleerde ik de familie, maakt een vliegtuig bochten. In de hoop dat ik snel naar mijn kamer zou verdwijnen, knikte iedereen instemmend, maar oom Bert zei: ‘Nee, een vliegtuig maakt geen bochten met het staartroer.’

“Tot op de dag van vandaag herinner ik me hoe dom ik oom Bert vond. Maar ik herinner me ook hoe mijn werkelijkheid wankelde. Het staartroer van een vliegtuig werkte zoals het roer van een schip. Einde discussie! En toch, toch was ik verplicht de mogelijkheid onder ogen te zien dat oom Bert gelijk had en dat dat was wat Descartes me had geleerd. Twijfel, besefte ik die dag, is geen tijdverdrijf maar is van levensbelang.”

“En hoe maakt een vliegtuig een bocht?” vraagt Heidi lachend terwijl de mokkapot weer pruttelt. Ik zet de brander uit, schenk koffie in mijn mok en mompel: “Horizontale exponent van lift.”

“Dus oom Bert had gelijk.”

“Oom Bert had gelijk en Descartes, oom Bert en ik hebben het tot 2020 goed met elkaar kunnen vinden. Daarna … wil je meer koffie?”

“Nee. Ik wil hier nog even blijven, maar ik wil straks The firm af kijken en dán nog een koffie drinken.”

 

Man, ik voel me gelukkig als we door de witte velden naar huis struinen, Boris dollend in de sneeuw. De veertig, misschien vijftig mensen die permanent in Montelobado wonen, zijn op weg naar de kerk als we het dorp binnenwandelen. Ik open onze voordeur, laat Heidi en Boris binnen en voordat ik de hal instap, vraagt Heidi: “Waarom liggen onze fietsen op de grond?”

“Klimaatverandering. Iets anders kan het niet zijn.”


Meer lezen? Neem een kijkje in de webshop.


 
 

Met jouw steun kan ik blijven schrijven.

Lieve groet, Nikko 🙂

Of doneer direct:

ES9430580709052720066355

BIC/Swift: CCRIES2AXXX

t.n.v. Nikko Norte

Dank je wel!

bottom of page