Hondenpoep en criminelen …
- Nikko Norte

- 17 uur geleden
- 10 minuten om te lezen
“Ik ga ervan uit dat je dat zo opruimt,” hoor ik achter me een man in het Spaans zeggen. Ik haal mijn hand uit het hondenpoepzakje waarin ik die hand zojuist stak, vouw het zakje terug in de langwerpige vorm waarin ik het van het rolletje scheurde dat ik bij me heb, vouw het nog wat kleiner op en stop het in mijn broekzak.
“Ah, no lo recogerás, entonces je gaat dat dus niet opruimen!”
Boris de kleine terriër is ondertussen uitgepoept. Hij zet een paar stappen, graaft met al zijn poten in het gras en als hij vrolijk naar me opkijkt, vraag ik hem: “Zullen we Heidi gaan zoeken?”
“Waf!” antwoordt het kereltje op het moment dat de man achter me uitroept: “Eres extranjero je bent buitenlander! Waarom bevuil je je eigen grasvelden niet? Alguien tiene que darte un par de hostias iemand zou je een paar klappen moeten geven.”
Terwijl Boris naar een van mijn broekspijpen hapt, dwalen mijn gedachten naar Radiocafé Rijnmond, waar ik in een vorig leven werkte, een van de eerste cafés in Rotterdam die door een designer waren ingericht. Supergezellig vond ik het niet, maar via een groot raam in het café keken gasten de studio’s van Radio Rijnmond in, wat bijzonder was destijds. Daarnaast, ook bijzonder destijds, had het café een heuse espressomachine.
Het was druk in het café, de bewuste dag waarnaar mijn gedachten dwalen. Een jazztrio jamde erop los, mijn collega had zich ziekgemeld en uh… druk, nondeju! Toen ik een man aan een tafeltje zijn koffie bracht en hem liet weten dat zijn uitsmijter op de bakplaat lag, liet hij mij weten dat hij ontevreden was met de snelheid waarmee ik hem bediende. Sneller dan hij vermoedelijk had voorzien, zat hij op handen en knieën op de straatstenen voor de glazen deur van het café. Ik gooide zijn jas achter hem aan, nam een bestelling op, keerde de sateetjes op de bakplaat om voordat ze aanbrandden, schepte een uitsmijter van de bakplaat op een bord dat ik voor mezelf opzijzette en vergat het voorval.
Die avond werkte ik in de Rotterdamse Energiehal, een sporthal, tijdens de rollerdisco die daar elke zaterdagavond werd georganiseerd. Met een collega bouwde ik in opdracht van de eigenaar van Radiocafé Rijnmond, onze baas, in de sporthal een bar op. Naast die bar plaatsten we de suikerspinmachine die ik op de kop had getikt. Urenlang gleed ik op mijn rolschaatsen heen en weer om dan weer bier, dan weer een suikerspin te verkopen. Om twee uur ’s nachts braken mijn collega en ik de bar af en toen we om half vier in Radiocafé Rijnmond de omzet van de rollerdisco telden, nadat we de onderdelen van de bar en mijn suikerspinmachine in een gehuurde bus naar een opslag hadden gebracht, vertelde onze baas dat die avond een Rolls-Royce halt had gehouden voor de deur van het café. Een man was uitgestapt, had zich voorgesteld aan onze baas, die zelf de avonddienst draaide, als mijnheer Bakker uit Hillegom, eigenaar van het Babylonwinkelcentrum in Utrecht, en had onze baas opdracht gegeven mij te ontslaan.
“En als ik dat niet doe?” had onze baas gevraagd.
“Dan koop ik het pand hiernaast. Ik laat er een café bouwen en geef alle drank gratis weg.”
“Dat zou geweldig zijn,” had onze baas, vertelde hij, meneer Bakker laten weten. “Als iemand dan bij mij iets bestelt, kom ik het bij jou halen,” en even later zat meneer Bakker op handen en knieën op de straatstenen tussen zijn Rolls-Royce en de glazen deur van het café.
Mooie tijd, mijn tijd in Radiocafé Rijnmond, mijn beste herinneringen die aan de avonden dat Rotterdams nachtburgermeester Jules Deelder en ik elkaar probeerden te overtroeven in het vertellen van moppen en … de beloofde hostias blijven uit. Boris stuift achter de bal aan die ik weggooi en terwijl ik achter me niet één, maar twee mannen hoor roepen dat ik een cabrón ben en een hijo de puta kuier ik een klein park uit in de richting van het centrum van Vitigudino, een stad op een halfuur rijden van Montelobado, het dorp waar Heidi en ik wonen in de Spaanse provincie Castilië en León.
“Policía, policía!” hoor ik nu achter me roepen en in mijn gedachten ben ik terug in Rotterdam. Met Nees Pors, Rotterdams grootste vechtersbaas aller tijden en destijds mijn zwager, tuf ik over de Nieuwe Binnenweg. Zo goed als Deelder moppen vertelt, zo goed vertelt Nees verhalen.
Met moeite was Nees—forse vent—in mijn Fiat 126 gestapt toen ik hem zojuist ophaalde. Nu vertelt hij over de tijd dat hij eigenaar was van Café de Rode Papegaai. Een man was op een middag het café binnengestapt. Hij moest snel van twee kilo cocaïne af en iemand had hem aangeraden dat probleem aan de eigenaar van de Rode Papegaai voor te leggen. Nees stelde geen vragen, bood de man een kop koffie aan, nam de plastic tas met de twee kilo cocaïne van hem over en zei: “Wacht hier. Ik ben over een uur terug.”
Nees wás een uur later terug, een mouw van zijn jas gescheurd, bloed onder zijn neus.
“Ik ben geript,” bracht hij buitenadem uit toen de man hem vroeg wat er was gebeurd. “Maar ik heb gevochten als een leeuw en heb één kilo kunnen redden,” en hij gaf de man de plastic zak terug met daarin één kilo cocaïne. De man gaf Nees een ruggie voor de moeite, duizend gulden, waarna hij op zoek ging naar iemand anders die hem van zijn sluikwaar af kon helpen. Zonder vijanden te maken, stond Nees die dag eenenvijftigduizend gulden in de plus.
Ik grinnik en zie uit mijn ooghoeken dat Nees uit zíjn ooghoeken op de achterbank van mijn Fiat de politiepet ziet die een vriend van me droeg toen we een week geleden de Rotterdam Marathon renden, hij verkleed als politieagent, ik verkleed als boef.
“Wil je weten hoe braaf mensen zijn?” vraagt Nees terwijl hij de politiepet opzet en ik het uitproest vanwege zijn plotselinge clowneske voorkomen. “Stop daar,” en ik stop bij het park aan de Heemraadsingel. Nees draait zijn raam open en vraagt een voetganger: “Heeft u misschien een man gezien met een hond?”
Na een moment van serieus gepieker stottert de voetganger: “Kan het zijn dat …” “We weten genoeg,” valt Nees hem in de rede en hij gebaart me door te rijden om een paar tellen later te gebaren dat ik weer moet stoppen.
“Meneer, heeft u misschien een vrouw met een bos bloemen gezien?”
De grap herhaalt zich vijf of zes keer voordat we op het Eendrachtsplein rechts afslaan. De tranen van het lachen lopen over mijn gezicht, hoewel ik ook ben geschrokken. In een verroeste, oranje Fiat 126 zijn Polletje Piekhaar en Lord Zeepsop heer en meester van de Rotterdamse Nieuwe Binnenweg omdat Lord Zeepsop een politiepet draagt …
Nees en ik werken voor Henk Smol in de illegale gok. Nees verzet geen werk, maar zijn aanwezigheid garandeert een zekere rust onder potentieel lastige gasten van Smols casino’s. Ik begon een paar weken geleden op doordeweekse dagen als croupier, mijn weekends gereserveerd voor Radiocafé Rijnmond en de rollerdisco. Nadat een gast me zijn verlies aan de roulettetafel kwalijk nam en een halve verdieping lager in het buffet belandde—Nees kocht sigaretten in de stad—oordeelde Smol dat mijn tact een verbeterpunt was. Hij voorzag een lang verbetertraject en stelde voor dat ik intern door zou groeien naar de functie van portier. Door een lid van de lokale onderwereld en zijn entourage de toegang tot het casino te weigeren, ontketende ik een rel die zelfs Nees niet één, twee, drie kon sussen en wederom groeide ik intern door. In een grote Mercedes—geen roest, een Baby Browning achter de autoradio voor noodgevallen—reed ik door Rotterdam om betalingen te doen of geld op te halen en … Boris legt zijn bal voor me op de grond en ik realiseer me dat ook mijn tijd in de Rotterdamse onderwereld een mooie tijd was. Niet omdat ik jong en onbezonnen was, maar omdat ik ontdekte dat zaken in de onderwereld beter en eerlijker geregeld zijn dan in de bovenwereld. Daarnaast was ik—en ben ik—ervan overtuigd dat niet de drugshandel en de gokindustrie crimineel zijn, maar dat het criminaliseren ervan crimineel is.
De hoeveelheid ellende waarvan we ons vrijwaren door de drugshandel vrij te geven, is kolossaal. Talloze onderzoeken—veel ervan Zwitsers—wijzen uit dat het gebruik van drugs niet toe zal nemen als overheden hun oorlog tegen drugs staken. Waar het op gokken aankomt, moet het al helemaal niet gekker worden. Een overheid—zoals dat in Nederland het geval is—die het monopolie heeft op de gokindustrie omdat alleen de overheid capabel is erop toe te zien dat mensen gevoelig voor een gokverslaving op tijd worden herkend en geholpen, zoiets …
Kuierend door Vitigudino, Boris op mijn hielen, grinnik ik inwendig als ik denk aan de blauwe maandag die ik als blackjack- en puntobancocroupier werkte in het Holland Casino in Zandvoort—nadat ik de film Ocean’s Eleven had gezien. Het management nam de opleiding van croupiers serieus. Het deel van die opleiding dat te maken had met het herkennen van en omgaan met gokverslaving bestond uit vijf A4’tjes tekst. Geen croupier in opleiding las die vijf A4’tjes, want iedere croupier in opleiding wist dat het management van Holland Casino, waar het aankwam op gokverslaving, niet meer verantwoordelijkheid nam dan het uitdelen van die vijf A4’tjes.
Wat crimineel is en wat niet, bedenk ik, is ons aangeleerd. Het berust niet op een maatschappelijk gedragen gevoel van onrecht en recht. Als we onze democratische verantwoordelijkheid nemen en een moment nadenken over criminaliteit dringt zich onherroepelijk de gedachte op dat veel menselijk leed transformeert in levensvreugde als we ten aanzien van criminaliteit wat definities herzien en een paar justitiële veranderingen afdwingen. Maar wie heeft tijd democratische verantwoordelijkheid te nemen? De schouders moeten onder het wiel om een oorlog tegen drugs te financieren, om de verliezen van staatscasino’s te dekken en om de verslaafdenzorg op stoom te houden.
Opnieuw grinnik ik inwendig als ik besef dat als ik ooit iets zou schrijven over Nees Pors—wiens aanwezigheid in de eeuwige jachtvelden een zekere rust garandeert onder potentieel lastige bewoners ervan—ik dat zou doen zoals Giorgio Vasari in De levens over Da Vinci schrijft, dat als ik ooit iets zou schrijven over bijvoorbeeld Mark Rutte ik dat heel anders zou doen en dat … een hoosbui! Boris en ik duiken een portiek in en uh… man, de dag begon zo mooi.
Derde week februari 2026. Het was nog donker toen Jesús, een herder uit het dorp, op onze voordeur klopte.
“Me puedes ayudar kun je me helpen?” vroeg hij toen ik opendeed.
“Es el rabino judío is de rabbi joods?”
“Huh…?”
“Vámonos!”
Over modderige paden reden we even later in Jesús’ pick-uptruck tussen eeuwen geleden ommuurde weilanden. Telkens als Jesús halt hield, stapte ik uit. Ik opende een hek en Jesús reed een weiland in. Ik sloot het hek, sprong op de dissel van de aanhanger die we trokken, een trechter op wielen, verzette een hendel, gaf een klap op de laadbak van de pick-uptruck, zette me schrap en terwijl enorme koeien op ons afdraafden, gaf Jesús gas en ging het hotsend en botsend door het weiland.
Door die hendel te verzetten, verbond ik iets in de trechter met de wielen eronder en viel elke paar meter wat koeienkrachtvoer, waarmee de trechter was gevuld, in de modder. Jesús stuurde door het weiland tot ik, als er geen krachtvoer meer in de modder viel, opnieuw een klap op de laadbak gaf en Jesús halt hield. Ik zette de hendel terug in de oorspronkelijke stand, klom in de laadbak van de pick-uptruck en gooide het aantal zakken krachtvoer leeg in de trechter dat Jesús me vanachter het stuur toeriep erin leeg te gooien. Hek open, hek dicht en door naar het volgende weiland tot ik Jesús vroeg te stoppen bij een stenen bankje op een kruispunt van twee paden.
Al maanden regent het in dit deel van Spanje. Vanmorgen was het droog en onbewolkt. Jesús schudde zijn hoofd toen ik uit mijn rugzak pakte wat ik nodig heb om koffie te zetten, maar hij kwam toch naast me zitten op het bankje. Niet veel later dronken we de koffie die ik zette, starend naar de zon, die rood opkwam boven de glooiende, groene velden.
Jesús houdt geiten en koeien. Regelmatig vraagt hij me hem te helpen. We sjouwen in zijn schuur zakken krachtvoer van pallets, lossen vrachtauto's hooi met zijn tractor of voederen of verplaatsten geiten en koeien van het ene weiland naar het andere. Ik uh… ik vind het prima, ben graag met dieren in de weer. Vanmorgen was de eerste keer dat ik voorstelde ons werk te onderbreken voor koffie, wat voor Jesús een soort spraakwater bleek te zijn.
Als kind zwierf Jesús met twintig, dertig geiten door de velden. Nu heeft hij honderden geiten en honderden koeien waaraan hij relatief weinig tijd besteedt. Het grootste deel van zijn tijd besteedt hij aan administratie en aan het op afstand houden van de dierenarts. De ene vaccinatie na de andere dringt die dierenarts zijn dieren op, doorgaans voor kwalen waarvan die dieren al eeuwenlang zonder hulp genezen. Ontdekt de dierenarts dat een van Jesús’ dieren een syptoom van het een of ander heeft, dan is de kans groot dat zijn hele veestapel wordt geruimd. EU-regelgeving maakt een drama van Jesús’ leven—en van dat van zijn dieren—maar tegelijkertijd komen zijn verdiensten voornamelijk van de EU, niet meer uit de verkoop of het ruilen van vlees, melk, wol en huiden. Jesús’ geiten grazen geen boomgaarden, paden en rivierbeddingen meer schoon maar grazen in weilanden of staan op stal.
Jesús leek de zelfopgelegde tijdsdruk van zich af te schudden toen ik, toen hij een adempauze nam, vroeg: “Más café?”
Hij haalde zijn schouders op en terwijl ik de mokkapot opnieuw vulde met water en koffie veranderde hij het thema van zijn monoloog naar prikspijt. Rare wolken waren na zijn tweede en laatste covidinjectie in zijn zicht verschenen. Die wolken waren na verloop van tijd verdwenen, maar hij had de schrik goed te pakken gehad, vooral omdat mensen in Montelobado pas na hun covidinjecties ziek werden en overleden. Zijn dieren, veranderde Jesús opnieuw het thema, van zijn monoloog hadden hem vrijgesteld van het huisarrest dat de Spaanse overheid had opgelegd en plotseling geïrriteerd, flapte ik eruit: “El gobierno no impuso este arresto domiciliario de overheid legde geen huisarrest op; jullie lieten je dat arrest opleggen.”
“Qué …?”
“Jullie hadden je democratische verantwoordelijkheid moeten nemen tijdens die zogenaamde pandemie. Nu is het te laat.”
“Pero maar …”
“Quiénes son los criminales de verdad wie zijn de echte criminelen? Mensen die de regels overtreden of mensen die de regels volgen zonder over die regels na te denken?” mompelde ik en kwaad op mezelf dat ik zo uit mijn slof was geschoten, was ik blij verrast toen Jesús in de lach schoot.
“El torero filosófico,” bracht hij hoofdschuddend uit op het moment dat de mokkapot begon te pruttelen.
Om tien uur zette Jesús me thuis af. Ik kleedde me om, fietste een uur rond Montelobado, douchte, werkte een paar uur tot Heidi voorstelde naar Vitigudino te rijden om boodschappen te doen en … “Waf,” onderbreekt Boris mijn gedachten. Ik volg zijn blik, zie Heidi de DIA, een supermarkt, uit lopen en we rennen vanuit het portiek waarin we schuilen naar haar toe. Ik neem twee boodschappentassen van haar over, zet ze in de auto en met zijn drieën rennen we naar de slager. Boris en ik schuilen opnieuw in een portiek; Heidi koopt vlees. Doorweekt rennen we naar de groenteboer, dan naar de Covirán, een andere supermarkt, en dan terug naar de auto. Boodschappen achterin, Heidi en Boris voorin, deur dicht, om de auto heen, in de auto, motor aan, verwarming op de juiste stand en … “Is er iets gebeurd?” vraagt Heidi.
“Huh…?”
“Je bent aan het neuriën en …” “Shit!” val ik Heidi in de rede.
“Wat …?”
“Letterlijk,” antwoord ik en ik rijd het parkeervak waar ik net uit reed weer in. Ik stap uit en ren springend over plassen naar een klein park terwijl ik het hondenpoepzakje dat ik uit mijn broekzak pak, ontvouw en er mijn hand in steek …
Meer lezen? Neem een kijkje in de webshop.



