Wat een pret …

Bloedend zit ik op mijn knieën in het zand. Een stier, bloed aan een van zijn horens, staart me bewegingloos aan. Eén hand op de wond in mijn buik hef ik mijn andere hand om iemands aandacht te trekken en mijn gedachten dwalen naar hoe ik ooit met presentator Myrna Goossen en een babyolifant in Rotterdam een voordeelactie van het warenhuis Ter Meulen inluidde.
Goossen, van een balkon boven de ingang van Ter Meulen, zou het toegestroomde publiek op het Binnenwegplein toespreken. De olifant zou tussen het publiek staan en ik zou afdalen van het dak van Ter Meulen. Op het moment dat ik afdalend een aan de gevel gemonteerd billboard bereikte, zou de olifant een ruk geven aan de lijn die om haar of zijn slurf was geknoopt. De lijn was verbonden met een doek die het billboard afdekte. Het doek zou op de grond vallen en publiek en pers zouden kennisnemen van de informatie op het billboard, die iets te maken had met olifantenkortingen.
Een paar dagen voor de actie was mijn twijfel aan de mogelijkheid tot samenwerking met een olifant weggelachen door de conciërge van Ter Meulen, die de praktische zaken rond de actie afhandelde en die, zover ik kon oordelen, niet uit mahouthout was gesneden. Zelfverzekerd merkte hij op dat alles goed zou komen als ik me zou concentreren op mijn afdaling en omdat ik een zwak heb voor zelfverzekerde mensen schoof ik mijn twijfel terzijde.
Maar terwijl een visagist op de dag van de actie Goossens make-up bijwerkte en Goossen en ik doornamen wat in Goossens tekst de olifants en mijn cues waren, riep de conciërge door onze portofoons: “De actie start nu!”
De visagist begreep mijn opgetrokken wenkbrauw. Ze wierp via een spiegel een blik op Goossen, tuitte haar lippen en knikte, waarop we gedrieën naar een trappenhuis renden. Goossen en de visagist renden de trap af; ik rende de trap op. Toen ik het dak bereikte, klonk wederom de stem van de conciërge door mijn portofoon: “Afdalen nu! Is mijn bericht ontvangen?”
“Afdalen nu. Uit,” sprak ik in de portofoon. Ik luste de afdaallijn die ik uren eerder had klaargelegd door de acht aan mijn klimgordel, stapte over de balustrade, zag het billboard aan duigen op de grond liggen en zag dat Goossen haar woorden van het balkon aan dovemansoren richtte omdat het toegestroomde publiek nog slechts aandacht had voor de medewerkers van diergaarde Blijdorp—ook niet uit mahouthout gesneden—die een olifant achtervolgden die de Oude Binnenweg opstormde.
Een paar maanden later hing ik boven de ingang van een ander warenhuis in Rotterdam, de Bijenkorf, en hoorde ik onder me mensen elkaar vragen wat ik daar deed. Simpel! Het management van de Bijenkorf had me gevraagd op de zaterdag voor Sinterklaas verkleed als Zwarte Piet van het dak te springen tussen twee Zwarte Pieten die van het dak afdaalden. Op vrijdag hadden twee van mijn kompanen—ik was elders druk—op het dak van de Bijenkorf uit steigerwerk een constructie gebouwd waarvan een arm buiten de dakrand stak, aan het uiteinde van die arm een katrol. Onderdeel van de constructie was een schoepenrad dat ik ooit had laten lassen. Om de as van het schoepenrad hadden mijn kompanen een lijn gerold. Het losse uiteinde van die lijn, met daaraan een karabiner, liep via de katrol aan het uiteinde van de arm terug naar het dak.
Op zaterdag zou ik onder mijn Zwarte Pietenpak een harnas dragen met aan de achterkant een lus, die door het Zwarte Pietenpak stak. Mijn kompanen, verkleed als Zwarte Piet, zouden aan die lus de karabiner klikken aan de lijn die door de katrol naar de as van het schoepenrad liep. Ze zouden langs de gevel van de Bijenkorf afdalen en als ze halverwege waren, zou ik van het dak springen. Drie meter van de gevel zou ik onder de katrol komen te hangen, de lijn zou van de as van het schoepenrad rollen en de daardoor draaiende schoepen zouden wind vangen en mijn val remmen. Mijn kompanen, op zaterdagochtend, stelden een proefsprong voor. Het was nog donker toen ik van het dak van de Bijenkorf sprong. De zon was al even op, de Bijenkorf al even open, toen het mijn kompanen lukte me te verlossen uit de onaangename positie waarin ik was beland. De lijn die me een zachte landing garandeerde, was in de knoop geraakt, mijn val was abrupt onderbroken en uh… laat ook maar.
Een paar weken voor dat avontuur voor de ingang van de Bijenkorf—en de foutloze sprong die er die middag op volgde—gebruikten we het schoepenrad tijdens een missverkiezing in het Turfschip in Breda. De Batmanfilm van Tim Burton had een dag eerder in Nederland zijn bioscooppremière beleefd en een deel van de missverkiezing stond in het teken van Batman. Een van mijn kompanen, verkleed als de Joker, belaagde de verkiesbare missen, die op het podium een dansje deden. Batman viel uit het plafond van het Turfschip, stapte op de maat van de muziek naar het podium, zette daar een paar klunzige danspassen en liet aan zijn pols iets ontploffen wat de Joker, die al even klunzige danspassen zette, zijn toevlucht achter de coulissen deed zoeken.
TV10 registreerde die missverkiezing en de dienstijver van de regisseur loog er niet om. Repeteren, repeteren, repeteren was haar devies. Mijn kompanen, die in de nok van het Turfschip, boven de plafondpanelen, het schoepenrad hadden bevestigd, hadden de lijn die me een zachte landing garandeerde te strak om de as van het schoepenrad geknoopt. Die lijn diende met een ruime lus om die as geknoopt te zijn. Het schoepenrad had een fors massatraagheidsmoment en net nadat tijdens de eerste repetitie mijn voeten de grond raakten, schoot ik de lucht weer in. De regisseur was enthousiast, dacht dat Batman omlaag en omhoog kon bewegen. Ze paste de choreografie aan en het had me wat moeite gekost haar ervan te overtuigen dat het opwaartse deel van mijn vlucht op een fout berustte. Ondanks die fout had ik mijn deel van de choreografie wel snaak nadat ik vier keer uit het plafond was gevallen. De regisseur was genadeloos. Na elke misstap van een miss viel ik opnieuw uit het plafond—en zette ik mijn danspassen minder klunzig.
Nauwelijks in staat te lopen, sjouwde ik die avond een koffer van jurylid Goedele Liekens naar haar auto. Afstandsbedieningen waren een noviteit destijds en omdat ik ook een zwak heb voor mensen met humor lukte het me ondanks de pijn in mijn enkel niet mijn lachen te onderdrukken toen de waarschuwingslichten van Liekens’ Saab plotseling knipperden en zij in haar Belgische accent opmerkte: “Ah, hij herkent mij.”
De regisseur had verzuimd me ervoor te waarschuwen dat de toneelmist tijdens de opnamen de trap onder Batmans positie in het plafond aan het zicht zou onttrekken. Batman landde op de rand van een trede en zwikte voor het oog van publiek en draaiende camera’s door zijn enkel. Hij klikte de karabiner op zijn rug los, strompelde naar de door de Joker belaagde, verkiesbare missen op het podium, hinkte zijn danspassen, drukte op een knop aan een klem om zijn pols en … nondeju!
Elke keer dat ik tijdens de repetities op de knop aan die klem om mijn pols drukte, was in een buis aan de klem het kruit ontploft dat ik erin had gestopt. Boem, vonkenregen, prachtig! Niet prachtig genoeg. Telkens weer riep de regisseur geïrriteerd: “Meer boem!” wat me zo irriteerde dat ik de buis na de laatste repetitieronde volpropte met kruit. Dot watten erop en … nondeju! De Joker tuimelde achter de coulissen, de missen zetten wat misstappen en beklaagden zich na de opnamen over brandgaatjes in hun panty’s en … man, wat een pret!
Twee weken voor die missverkiezing had Warner Bros. Nederland me gevraagd of ik de Nederlandse galapremière van de Batmanfilm wilde opleuken. Enthousiast had ik Warner Bros. Amerika gebeld en gevraagd of iemand me aan een Batmankostuum kon helpen; ik was immers de Nederlandse Batman.
“There’s only one Batman, and that’s Michael Keaton!” had de Amerikaan die ik sprak me toegebeten. Om Warner Bros. Nederland niet voor de bus te gooien, liet ik het daarbij en de volgende avond reed ik met een kostuumontwerper naar Antwerpen, waar de Batmanfilm al in de bioscopen draaide.
Op de dag van de Nederlandse galapremière van de film voltooide de kostuumontwerper mijn Batmankostuum. Mijn kompanen en ik hadden ondertussen vanuit een loge in het Tuschinskitheater in Amsterdam een kabel naar het podium gespannen, om de kabel tien centimeter elektrabuis. Eén hand aan die buis, de andere hand aan zijn cape, suisde Batman die avond naar Paul de Leeuw, die de première presenteerde. Na een onbeholpen buiteling fluisterde Batman De Leeuw iets in het oor en terwijl Batman achter de coulissen verdween, liet De Leeuw zijn publiek weten dat Rob de Nijs zijn auto moest verplaatsen omdat hij de Batmobiel had klemgezet.
De volgende ochtend, in een radioprogramma, verhaalde De Leeuw dat Batman op het podium van het Tuschinskitheater was geland in een kostuum van aan elkaar genaaide vuilniszakken. De kostuumontwerper verbeterde mijn Batmankostuum, de Batmanfilm beleefde in Nederland zijn bioscooppremière, ik sjouwde de dag erna op een pijnlijke enkel de koffers van Miss België naar een Saab die haar herkende en … man, wat een pret! Maar het is uit met de pret, besef ik terwijl ik bloedend op mijn knieën in het zand zit. Ik hef opnieuw mijn hand om iemands aandacht te trekken en … “Het staat erop!” roept Norbert ter Hall, regisseur van de film Hanna van Hendrik, waarvan een deel in het Twentse dorp Delden wordt opgenomen. Voorzichtig om de stier niet te verleiden hem alsnog aan te vallen, komt boer Hendrik overeind.
Woensdag 1 april 2026. Twee boeren Hendrik op de set in Delden: acteur Tjebbo Gerritsma en ik. Het kost een grimeur elke dag ruim een uur me in een Hendrik te veranderen die de tweelingbroer van Gerritsma kan zijn. Telkens als Gerritsma een scène deelt met de stier die een rol speelt in de film, val ik voor hem in, soms in gedachten bij mijn cascadeurdagen, soms in gedachten bij de tijd dat ik in Spanje en Amerika zelf acteerde in commercials, series en films. Ik uh… ik beleefde lol aan dat acteren, hoewel ik me vaak onzeker voelde omdat Hans Kemna, de Nederlandse castingbaas en een goede vriend—ik schreef na zijn overlijden het korte verhaal Het mysterie Kemna—geen gelegenheid voorbij liet gaan me erop te wijzen dat acteren een vak is.
Toch, en onverwacht, ging het me in Amerika in de filmwereld voor de wind. Abrupt en onvrijwillig onderbrak ik mijn carrière daar en dwalend over de set in Delden, verkleed als boer Hendrik, overall en kaplaarzen, vroeg ik me de afgelopen dagen soms af of ik voor die carrière niet harder had moeten vechten om me er vervolgens aan te herinneren dat ik nooit meer ambitie heb gehad dan trouw te zijn aan de lokroep van het onbekende en dat … mensen applaudisseren. De productieleider, dringt nu pas tot me door, riep iets waarin mijn naam voorkwam. Na drie dagen zit mijn werk erop. Dat is wat de productieleider riep. Ik lach als Hendrik met kiespijn en als ik naar de vrachtwagen van de grime loop, besef ik hoe ik in de rats heb gezeten sinds ik gewoontegetrouw “Ja” zei toen iemand me belde met de vraag of ik kon assisteren tijdens de opnamen van Hanna van Hendrik.
Zelden maak ik me druk om mezelf. Nu droeg ik de verantwoordelijkheid voor het slagen van filmopnamen. Wekenlang twijfelde ik aan de mogelijkheid tot samenwerking met een stier en terwijl ik in een vrachtauto in mezelf verander, grinnik ik inwendig als mijn gedachten naar een ander dier dwalen, naar een poema, een SA 330 Puma, eigenlijk een helikopter. De jumpmaster, een paar meter boven me, geknield in de kleine achterdeur van die Puma, liet me een mes zien …
Het was de derde parachutesprong die instructeurs van het 13e Régiment de Dragons Parachutistes me die dag uit die Puma lieten maken. Mijn staticline, die de parachute op mijn rug zou ontplooien, was aan mijn uitrusting blijven haken en net als toen ik een paar jaar later van het dak van de Bijenkorf sprong, was mijn val abrupt onderbroken. Vanuit mijn plotseling tumultueuze werkelijkheid was het lastig mijn ogen op de jumpmaster gericht te houden, maar conform de man-on-tailprocedure had ik een hand op mijn hoofd gelegd om hem te laten weten dat ik bij bewustzijn was. Toen ik in een flits het mes zag dat hij me liet zien, wist ik dat hij mijn staticline door zou snijden. Ik viel opnieuw en voordat ik de noodparachute voor mijn buik kon trekken, voelde ik dat mijn hoofdparachute zich alsnog ontplooide. De staticline was losgeraakt, niet doorgesneden, en even plotseling als mijn werkelijkheid tumultueus was geworden, voelde ik me ondergedompeld in vreedzaamheid, waarmee het was gedaan toen ik in mijn gedachten Thoreaus rustige wanhoop spiegelde aan de poema’s nooitaflatende strijd. Langzaam naar de aarde dalend bedacht ik dat alleen wat me overkomt—wat me ook overkomt—me rijker maakt, wijsheid de valuta.
Nog voordat mijn voeten ten zuiden van het Noord-Franse dorp Dieuze de aarde raakten, had zich in mijn hoofd de gedachte comfortabel gemaakt dat het vergaren en doorgeven van wijsheid het enige werkelijk lonende doel is dat een mens zich in het leven kan stellen—kennis zonder wijsheid van geen enkele waarde—en dat het waarschijnlijk het enige doel was dat de mens zich stelde voordat kapitalisme zich ontwikkelde tot allesoverheersend gedachtengoed. Niks mis mee, kapitalisme. Toch keert het zich tegen ons als rente er deel van uitmaakt en als we weigeren te beseffen dat het vanaf dat moment een gokspel is, dat de bank altijd wint en dat we geen controle hebben over wat de bank met haar almaar groeiende kapitaal doet. Waarom waren de dominante religies, van boeddhisme tot judaïsme, zo gekant tegen rente—nadruk op waren? Wijsheid?
Met mijn parachute in mijn armen onderweg naar een vrachtauto zonk de waarheid in dat ik me om de wijsheid te vergaren die de moeite van het doorgeven waard is zoveel mogelijk moest laten overkomen, wat slechts mogelijk was als ik me om mezelf niet druk meer maakte. Om de verantwoordelijkheden die ik aanging, maakte ik me des te drukker en terwijl de grimeur de gel uit mijn haar wast die ze erin smeerde voordat ze me vanmorgen mijn pruik opzette, grinnik ik opnieuw inwendig als ik me realiseer hoe de belangrijkste scène waarvoor ik hier deels de verantwoordelijkheid droeg in het honderd zou zijn gelopen als ik er niet op had gestaan de set te zien voordat de opnamen startten.
Drie dagen deden Heidi en ik over de reis naar Nederland vanuit Montelobado, het Spaanse dorp aan de grens met Portugal waar we wonen. Ik was te gast bij een paar podcasts en afgelopen vrijdag meldden we ons hier op de set. Heidi bracht naar voren dat een van de scènes waar ik bij betrokken was niet kon worden opgenomen zonder een bouwkundige aanpassing aan het decor. Ter Hall was het met haar eens en zijn crew leverde puik werk, ontdekte ik toen ik hier maandagochtend terugkwam zonder Heidi, die met Boris de kleine terriër was achtergebleven in Oegstgeest, waar we logeren.
Twee keer tijdens het opnemen van die scène dolf boer Hendrik na een paar tumultueuze seconden het onderspit in de strijd met de stier die hij voor draaiende camera’s vanuit een schuur naar een kraal leidde waarin een drachtige koe stond. De filmcrew zocht kalm, zoals was afgesproken, een veilige plek, boer Hendrik herinnerde zichzelf eraan hoe belangrijk het is zich om zichzelf niet druk te maken en dankzij de aanpassing aan het decor die Heidi had voorgesteld, riep Ter Hall al na de derde poging de stier conform het script te laten acteren: “Het staat erop!” en … “Klaar,” zegt de grimeur. Boven een wasbak spoel ik het laatste nepbloed van mijn handen. Ik trek boer Hendriks kaplaarzen en overall uit, trek míjn kleren en schoenen aan, kuier mensen gedag zeggend naar onze Berlingo en vraag de tomtom me naar kasteel Twickel te gidsen.
Korte rit, korte wandeling. Naast me op het bankje vanwaar ik naar kasteel Twickel staar, snort de benzinebrander onder onze mokkapot en als de regenbui die me overvalt alles is wat me vandaag nog overkomt, dan … man, ik weet me even geen raad met de vreedzaamheid waarin ik me ondergedompeld voel …
Meer lezen? Neem een kijkje in de webshop.



