top of page

# 32 Guantánamo …

Foto van schrijver: Nikko Norte
Nikko Norte
1 dag geleden
11 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 8 uur geleden

Fluitende vogels wekken me. Het lijkt of we ons hebben verslapen. Dan besef ik dat het geen vroeg zonlicht is dat door het doek van onze tent filtert maar laat maanlicht.

 

Rond het middaguur vertrokken Heidi en ik gisteren uit Nederland, waar we meewerkten aan de opnamen van de film Hanna van Hendrik en waar ik in wat podcasts te gast was. Bij Antwerpen belandden we in zoveel file dat we pas laat in de middag echt onderweg waren. Brussel, Bergen en via binnenwegen naar Vervins, in Frankrijk. Door naar Villiers-Cotterêts, waar een als slaaf geboren Franse edelman en generaal in 1802 vader werd van de latere schrijver Alexandre Dumas, en vandaar naar Meaux, waar we de rivier de Marne overstaken. Tuf, tuf naar Melun, waar we de rivier de Seine overstaken, en door naar het bos van Fontainebleau, waar we halt hielden tussen een door de volle maan spookachtig verlichte rotspartij.

 

Heidi wandelde met Boris de kleine terriër, die sinds we bij Bergen de snelweg verlieten telkens weer afdwong dat Heidi, als ik afremde om een dorp te doorkruisen, haar raam opende om hem er leunend op de achteruitkijkspiegel uit te laten hangen, zijn snuit in de wind. Ik pakte de benzinebrander en de mokkapot vanonder de bijrijdersstoel uit onze Berlingo en zette koffie, die we dronken terwijl we verder tuften. Nadat we in Sully-sur-Loire de rivier de Loire overstaken, het kasteel op de zuidelijke oever wit in het maanlicht, leek de koffie uit te werken en in een dorp dat we doorkruisten, het klokje in het dashboard las 02.18, Boris te moe om nog langer af te dwingen dat Heidi haar raam voor hem opende, stuurde ik een zandpad in.

 

De binnentent van onze tent stond snel—geen kans op regen, geen buitentent nodig. Ik legde onze matjes, slaapzakken en kussens erin en rende Heidi achterna, die met Boris rond een kerk wandelde in het midden van het dorp. Terug bij de tent kleedden we ons uit. We kropen in onze slaapzakken, Boris nestelde zich tussen ons in en bij het licht van de Petzl op mijn hoofd probeerde ik nog wat te lezen in L’ami Fritz, een boek van Émile Erckmann en Alexandre Chatrian, tijdgenoten van Dumas, dat ik onderweg naar Nederland in een Frans dorp op een rommelmarkt vond. Man, ik lees zoveel liever hoe mensen vroeger over vroeger schreven dan hoe mensen nu over vroeger schrijven, Fritz Kobus, in 1847, druk met het voorbereiden van een feestmaal voor vrienden ter gelegenheid van het aanbreken van de lente en met het afwimpelen van rabbijn Sichel, die zijn zinnen heeft gezet op het vinden van een vrouw voor Kobus, een zorgeloze vrijgezel.

 

Erckmann en Chatrian. Ik uh… ik was graag langer in hun fictieve dorp Hunebourg gebleven, maar terwijl Boris, die aanvoelt dat ik wakker ben, omhoog kruipt en naar mijn neus hapt, realiseer ik me dat ik zo moe was dat ik me niet herinner dat ik Heidi welterusten wenste, mijn Petzl van mijn hoofd haalde, L’ami Fritz weglegde, tegen Heidi aankroop zonder Boris weg te duwen en in slaap viel.

“Maak Heidi maar wakker,” fluister ik in Boris’ oor. Boris rolt zich om en ik hoor Heidi mopperen: “Laat me met rust, rare hond. Het is midden in de nacht.”

“Ik denk dat het al over zessen is,” zeg ik.

“Nee …!”

 

Boris rent om ons heen terwijl we kussens, slaapzakken, matjes en de tent inpakken, en het klokje in het dashboard leest 06.52 als we, leren we van een plaatsnaambord, het nog slapende Brinon-sur-Sauldre uit rijden.

 

4 April 2026. Het klokje in het dashboard leest 07.08 als Boris, hangend uit Heidi’s raam, in een dorp dat we doorkruisen naar twee mannen blaft die een café binnenstappen. Van een plaatsnaambord leerde ik zojuist dat we in Pierrefitte-sur-Sauldre zijn, maar eenmaal in het café kost het me geen moeite me in Brasserie Le Grand Cerf in Hunebourg te wanen. Boris dwingt iedere gast een knuffel af. Ik pak de koffie die we bestelden van de toog. Echte koffie, niet het mengsel van gemalen koffiebonen en gebrande cichoreiwortel dat Kobus en rabbijn Sichel drinken aan het tafeltje naast dat waaraan Heidi is gaan zitten en anders dan me nog even te wentelen in nostalgie vraag ik Heidi of ze me uit de buidel die ze om haar middel draagt mijn telefoon kan geven zodat ik op Google Maps kan uitpluizen hoe we onze reis vervolgen. Ik heb gisteren niet naar die telefoon omgekeken. Twaalf WhatsAppberichten! Zoveel berichten krijg ik niet in een maand en … “Iets aan de hand?” vraagt Heidi.

“Ricardo is overleden,” mompel ik.

“Je vriend Ricardo uit Málaga?”

“Ricardo Ortiz.”

“Hoe …? Geen stier! Die knaap is al jaren met pensioen.”

“Wel een stier. Vanavond is in Málaga de jaarlijkse corrida ter ere van Picasso. Als ik het goed begrijp, hielp Ricardo toen de stieren gisteren bij de arena vanuit een vrachtauto de kralen in liepen. Hij is in de kralen op de horens genomen en overleden.”

 

Om het verdriet dat me overvalt van me af te schudden, loop ik naar de auto. Met mijn laptop in de hand stap ik het café weer binnen. Ik bestel nog twee koffie bij de vrouw die de toog bemant en als ik aan ons tafeltje ga zitten, vraag ik Heidi of ze mijn laptop met het internet wil verbinden. Ik open Gmail, schrijf een kort bericht en vraag Heidi of ze mijn vertaling van Mansoor Adayfi’s boek Guantánamo als bijlage aan het bericht kan plakken.

 

Maanden werkte ik aan het vertalen van Adayfi’s boek. De eerste zestigduizend vertaalde woorden verloor ik toen thuis, in Spanje, mijn vaste computer de geest gaf. Net voordat we naar Nederland vertrokken, voltooide ik de vertaling en ik worstel sindsdien met het loslaten ervan. En wat Ricardo’s overlijden met Adayfi’s boek te maken heeft, weet ik niet, maar uh… nú is het moment dat ik de vertaling ervan opstuur naar de uitgever en als ik ontdek dat die actie nauwelijks indruk maakt op mijn verdriet vraag ik Heidi, terwijl ik opsta om onze tweede ronde koffie van de toog te pakken, of ze op mijn laptop het artikel kan openen dat ik ooit voor een krant schreef over Mansoor Adayfi. Heidi draait de laptop naar zich toe, draait hem weer in mijn richting en ik lees:

 

Hij was generaal Aden, Smiley Troublemaker en detainee 441. Na veertien jaar in Guantánamo Bay leeft Mansoor Adayfi in Servië, ver van zijn familie. Verslaggever Nikko Norte bezoekt hem.

 

Het is broeierig warm. Onweer vanavond, denk ik dat ik zeker weet. Cafés in de Servische hoofdstad Belgrado zijn overvol en de sigarettenrook, in het café dat Mansoor Adayfi en ik binnenstappen, is te snijden. Op het punt daarover iets te zeggen, realiseer ik me dat sigarettenrook geen indruk maakt op iemand die jarenlang dagelijks werd gepeppersprayed. Maar Adayfi bespeurt mijn ongemak en wenkt me naar een leeg tafeltje op het terras van het café.

 

Adayfi spreekt voldoende Servisch om een praatje te maken met onze kelner. Even later smult de goedlachse man uit Jemen van een sorbet terwijl ik mijn koffie drink. Vreemd misschien, maar het doet me goed Adayfi te zien smullen. Een groot deel van zijn leven bracht hij door in de Guantánamo Baygevangenis, iets wat nu pas echt tot me doordringt zoals ook nu pas tot me doordringt dat ik een tafel deel met een al Qaidaleider die deelnam aan de voorbereidingen van de 9/11-aanslagen. Ik onderdruk een glimlach. Vrienden noemen me de zwarte dwerg. Adayfi, detainee 441, die in Guantánamo volgens zijn bewakers de ergste van de ergste was, is nog kleiner dan ik.

 

Een halfuur geleden ontmoetten we elkaar voor het flatgebouw waarin Adayfi sinds 2016 woont. Zijn innemende persoonlijkheid imponeert me. Ons interview is morgen en ik ben Belgrado in gereden om het ijs tussen ons te breken. De hele rit naar Servië piekerde ik over hoe je een vraaggesprek voert met iemand die veertien jaar lang barbaars is ondervraagd. Om te testen of het ijs is gebroken, vraag ik Adayfi hoe hij omgaat met zijn gevoelens voor zijn bewakers in Guantánamo.

“Ik voel geen haat voor die mensen,” antwoordt hij. “We waren allemaal slachtoffer,” en ik besluit het daarbij te laten.

 

Regen roffelt op het doek van mijn tent. Het bliksemt en dondert. Bij het licht van de Petzl op mijn hoofd lees ik delen van Adayfi’s boek opnieuw. Bladzijde na bladzijde kijk ik machteloos toe hoe Adayfi van zijn menselijkheid wordt beroofd en hoe hij ervoor vecht zichzelf te blijven. Toch leest het boek niet als een aanklacht; het leest als een heldenepos zonder dat Adayfi zich als held in het voetlicht plaatst.

 

Net na vier uur sla ik het boek dicht en mijn gedachten dwalen naar Andreas Kinneging, die het in zijn boek Hercules op de tweesprong over de hiërarchie van de waarden heeft, over hoe wij morele waarden al zo’n tweehonderd jaar niet langer boven vitale waarden plaatsen en hoe dat onze deugdzaamheid beïnvloedt. Vrijwel niemand, in 2023, denkt nog na over waarden en deugdzaamheid en waarschijnlijk doet ook Adayfi dat niet. Toch plaatst hij zijn morele waarden telkens weer boven zijn vitale waarden en hij doet dientengevolge consequent wat goed is zonder zich erom te bekommeren dat hij dat mogelijk met lichamelijk letsel of de dood bekoopt.

 

Zeven uur. Glijdend door de modder op een camping onder de rook van Belgrado breek ik mijn tent af en de chagrijnigheid die me overvalt als ik me realiseer dat ik geen koffie kan zetten omdat mijn gasbrander gisteren kapotviel, vervliegt als ik Adayfi in mijn gedachten op zijn buik op de betonnen vloer van een kooi in Guantánamo zie liggen, zijn polsen aan zijn enkels geboeid.

 

Onderweg naar Belgrado drink ik koffie in een café langs de weg en als ik Adayfi om tien uur weer ontmoet en hem vraag hoe hij heeft geslapen, haalt hij zijn schouders op. Lange periodes, legt hij uit, leefde hij in Guantánamo onder fel licht of in totale duisternis. Zijn interne biologische klok heeft het begeven.

 

Naast post-its met aantekeningen zijn de muren van Adayfi’s appartement behangen met foto’s van mensen die nog in Guantánamo zijn gedetineerd. Ik vraag Adayfi wat voor hem belangrijker is: goed handelen of overleven. Hij kijkt me een moment aan en antwoordt: “Als alles je wordt afgenomen, zelfs je tijd, blijft over wie je werkelijk bent.”

 

Adayfi werd geboren in het bergdorp Raymah in Jemen. Hij verhaalt over het eenvoudige leven in Raymah, over zijn moeder, een kleine, rechtdoorzee vrouw, over zijn zus, met wie hij geiten hoedde, en over zijn vader, die heerlijk kan koken. Op zijn vijftiende verhuisde Adayfi naar een tante in Sana’a, Jemens hoofdstad, waar hij werkte en spaarde om ooit in een van de golfstaten te kunnen studeren.

 

Adayfi’s kans komt als hij kennismaakt met de sjeik die de drijvende kracht is achter de universiteit van Sana’a. De sjeik belooft Adayfi’s studie te financieren als hij een student helpt met het voltooien van een werkstuk over de opkomst van al-Qaida. In de zomer van 2001 vergezelt Adayfi de student naar Afghanistan, waar het tweetal nog steeds is als het op 11 september misgaat in Amerika. Buitenlanders vertrekken haastig uit Afghanistan en een paar dagen voordat ook Adayfi vertrekt, rijdt hij in een hinderlaag. De warlord die hem gevangenneemt, wil losgeld voor hem eisen. Een andere warlord stelt voor hem te verkopen aan de Amerikanen, die beloningen uitloven voor iedereen die in verband kan worden gebracht met al-Qaida—wat ertoe leidt dat sommige Afghanen hun buurman verkopen om oude vetes te beslechten.

 

Adayfi wijt zijn pech aan de witte tulband die hij droeg. De warlords maakten de Amerikanen op basis van die tulband wijs dat de nog baardloze Adayfi een al-Qaidaleider was. Adayfi belandde in een CIA-blacksite, waar hij zo werd mishandeld dat hij graag toegaf dat hij—negentien jaar oud—de Egyptische generaal Aden was. Kort daarop was hij onderweg naar Cuba, geketend aan de bodem van een vliegtuig.

 

De voorbeelden die Adayfi geeft van zijn behandeling in Guantánamo zijn weerzinwekkend en die behandeling beperkte zich niet tot de uren, soms dagen, dat hij werd ondervraagd, maar beheerste elk moment van zijn leven. En toch, zonder over leverage te beschikken, streed Adayfi in Guantánamo onophoudelijk voor een menselijke behandeling van zijn lotgenoten en zichzelf en als ik hem vraag me in dat licht het verhaal van Zacharia te vertellen—over wie ik las in zijn boek—betrekt zijn gezicht. Hij wijst naar een foto aan een wand en zegt: “Dat is Zacharia, nog steeds in Guantánamo. Bewakers sloegen een kies los in zijn kaak. Hij kon van de pijn niet eten maar mocht pas naar de tandarts als hij iets aan informatie prijsgaf.”

 

Middels een hongerstaking grepen gedetineerden in, een actie die letterlijk ontplofte in het gezicht van Zacharia. Bewakers sleurden hem uit zijn kooi en gooiden hem er de volgende dag weer in, zijn gezicht opgezwollen. Toen Adayfi door het hekwerk tussen hun kooien in Zacharia’s mond keek, bleken zeven kiezen te zijn getrokken. Niet door een tandarts, maar door de dienstdoende algemene arts.

 

Het is een voorbeeld van hoe officieren, artsen, psychologen en zelfs medewerkers van het Rode Kruis de Geneefse Conventies negeerden, oog in oog met bont en blauw geslagen, uitgehongerde en langdurig slaapgedepriveerde gedetineerden. Als ik er een opmerking over maak, vertelt Adayfi over de twee officieren, majoor Ahmad Halabi en kapitein James Yee, die zich wél kritisch uitten over de behandeling van gedetineerden en die als gevolg daarvan zelf achter de tralies belandden.

 

Adayfi pakt een stroopwafel uit het pak stroopwafels dat ik voor hem heb meegenomen. Om ons gesprek een luchtigere wending te geven, vraag ik hem me het verhaal te vertellen van de officier die ooit knielde voor Waddahs cel—gedetineerden verbleven dan weer in kooien, dan weer in cellen—maar bij het noemen van de naam Waddah kan ik mezelf wel voor het hoofd slaan. Onder dubieuze omstandigheden overleed Waddah in Guantánamo en ik las hoe Adayfi zich zijn dood aantrok. Maar Adayfi schudt het verdriet waarvan ik zie dat het hem overvalt van zich af en legt uit hoe gedetineerden de pijpen van hun overalls zo wisten te verzwaren dat het slingerhamers werden. Met die slingerhamers sloopten ze de spaarzame meubelstukken in hun cellen om aandacht te vragen voor een probleem. Die actie leek goed uit te pakken. Een officier knielde voor de deur van Waddahs cel om via een sleuf in die deur met Waddah te onderhandelen. Waddah eiste dat die officier op een stoel ging zitten en zei: “Geen mens knielt voor mij,” wat me een blik gunt in de morele wereld van gedetineerden in Guantánamo.

 

De hongerstaking was het effectiefste wapen van gedetineerden, hoewel niet voor lang. Hongerstakers, vastgebonden in speciale stoelen—Adayfi sleet veel tijd in die stoelen—kregen tubes door de neus geduwd en via die tubes vond speciale voeding een weg naar hun magen.

 

In 2010, Adayfi’s negende jaar in Guantánamo, versoepelt een commandant het beleid. Gedetineerden krijgen de vrijheid met elkaar om te gaan, mogen boeken lezen en studeren en mogen kunst te maken. Sommige kunst verschijnt in de vorm van nagemaakte vensters op de betonnen muren van de cellen in het moderne gebouw waarin Adayfi inmiddels is ondergebracht. Via die vensters genieten gedetineerden van landschappen en zeegezichten. Van karton bouwen ze meubelstukken en zelfs bomen. Adayfi, bewakers noemen hem Smiley Troublemaker, maakt van de gelegenheid gebruik Engels te leren.

 

Maar hoelang duren relatief soepele omstandigheden in Guantánamo? Nieuwe commandant, nieuw beleid. Bewakers vernietigen alle kunst, regels worden aangescherpt en bewakers beuken weer in op gedetineerden. Pas in 2016 gloort er licht voor Adayfi. Tijdens een hoorzitting mag hij zijn zaak bepleiten. Al in 2006 is na een hoorzitting bepaald dat Adayfi een enemy combatant is, die eeuwig gevangengehouden kan worden zonder aanklacht. De manier waarop Adayfi zich tijdens die eerste hoorzitting uitsprak, toen nog in het Arabisch, is typerend voor zijn morele kijk op het leven. Hij stelde nooit lid van al-Qaida te zijn geweest. Op basis van zijn behandeling in Guantánamo, stelde hij voorts, zijn lot voor ten minste tien jaar bezegelend, sloot hij niet uit na zijn vrijlating een vijand van Amerika te worden.

 

Na de hoorzitting in 2016 wordt bepaald dat Adayfi Guantánamo na veertien angstige en pijnlijke jaren mag verlaten. Terugkeer naar Jemen, waar een burgeroorlog woedt, is volgens de Amerikanen onmogelijk. Geboeid en met een zak over zijn hoofd vliegt hij naar Servië, het enige land waar hij welkom is en waar hij inmiddels zeven jaar een relatief vrij man is.

 

Adayfi vecht voor sluiting van Guantánamo en voor gedetineerden die na hun vrijlating uit Guantánamo van de regen in de drup belandden zoals Saeed Bakhouche, die na een verblijf van eenentwintig jaar in Guantánamo door Algerije zou worden opgevangen en nu dáár in een gevangenis verblijft. Daarnaast vecht Adayfi voor erkenning. Komt die erkenning er niet, stelt hij, dan loopt de hele wereldbevolking het risico ooit in een afgeleide van Guantánamo Bay te belanden en schaamte overvalt me. De huidige nadruk in het Westen op vitale waarden ten koste van morele waarden geven de woorden van de kleine grote man immers een beangstigend profetisch karakter. Opgesloten in een kooi of cel zette hij Guantánamo Bay naar zijn hand. Vrij als vogels schikken we ons in het Westen in de meest onvoorstelbare onzin …

 

Heidi, als ik opkijk uit mijn laptop, zegt: “Ik heb afgerekend. Ik ga ervan uit dat je morgen naar Málaga wilt rijden, dus we hebben vandaag een lange rit voor de boeg.”


Steun de kleine grote man en lees zijn boek Guantánamo - Vergeet ons hier niet



Meer lezen? Neem een kijkje in de webshop.


 
 

Met jouw steun kan ik blijven schrijven.

Lieve groet, Nikko 🙂

Of doneer direct:

ES9430580709052720066355

BIC/Swift: CCRIES2AXXX

t.n.v. Nikko Norte

Dank je wel!

bottom of page