top of page

#34 Niets anders dan de waarheid …

Foto van schrijver: Nikko Norte
Nikko Norte
1 dag geleden
11 minuten om te lezen

Volgens onze buren in het Spaanse dorp Montelobado is water uit een bron die hun voorouders Los Navazos doopten het beste water in de omgeving en dus rijd ik twee keer per week met een krat potten en flessen naar Los Navazos en spijt het me twee keer per week dat Heidi en ik onze vier glazen achtliterflessen achterlieten in de Andalusische stad Antequera, waar we een jaar geleden nog woonden. Op de dag voor onze verhuizing naar Montelobado lukte het me al onze aardse bezittingen in onze Berlingo te stouwen, behalve die vier flessen. En natuurlijk zijn vier nieuwe flessen eenvoudig via het internet te vinden en te bestellen. Mij lukt het niet en Font d’Or, het Catalaanse waterhuis waar we onze achtliterflessen kochten toen we voordat we in Antequera belandden nog in Catalonië woonden, levert niet in Montelobado, aan de grens met Portugal in de provincie Castilië en León.

 

De bron waar we in Antequera elke vijf, zes dagen naartoe reden, was twintig minuten bij ons huis vandaan, waarvan tien minuten over een Berlingo-onvriendelijk zandpad. Die bron gaf een puist water, onze achtliterflessen in een mum van tijd vol. Los Navazos laat zich vanuit Montelobado in twee minuten aanrijden, waarvan één minuut over een Berlingo-onvriendelijk zandpad, maar het water van Loz Navazos sijpelt uit de metalen buis die boven een grote, stenen trog uit het oplopende terrein steekt en het vullen van onze potten en flessen is een lange zit. Toch, als het niet regent—en het is inmiddels alweer een paar weken droog in Montelobado—zit ik graag, zoals ik er nu zit, op de rand van de trog waarin het beste water in de omgeving sijpelt, onze krat potten en flessen naast me in het zand.

 

En misschien is het een sprookje dat water uit Los Navazos het beste water in de omgeving is, want ik heb hier nog nooit een mens gezien, wat, berisp ik mezelf, ook kan komen omdat mensen het makkelijker vinden hun water te kopen in plastic flessen bij een supermarkt in Vitigudino, een kleine stad zo’n dertig kilometer van Montelobado. Voor Heidi en mij gaat die vlieger niet op. We weten dat we zoveel plastic kunnen verbruiken als we willen zolang we af en toe het woord duurzaam verwerken in een socialemediabericht dat we delen met de wereld, maar Heidi en ik zijn niet woke en dus rijd ik elke twee dagen naar Los Navazos. Heidi blijft thuis. Rond Los Navazos wemelt het soms van de wespen, en wespen zijn niet Heidi’s favoriete dieren.

 

Nauwelijks wespen bij Los Navazos vandaag. Ik schroef de dop op een volgesijpelde pot, zet hem in de krat, pak een fles uit de krat, schroef de dop eraf, duw hem in het water in de trog, manoeuvreer de hals van de fles onder het water dat uit de metalen buis sijpelt en grinnik inwendig als ik mezelf in mijn gedachten hoor zeggen: “Toch iets geleerd op school,” nadat ik mezelf, ook in mijn gedachten, hoorde opmerken: “Opwaartse kracht is gelijk aan het gewicht van de verplaatste vloeistof.”

 

Drie uur natuurkunde per week vanaf de tweede klas middelbare school, misschien wel vier. Veertig weken school per jaar? Dat is zeshonderd uur natuurkunde in vijf jaar tijd, wat gelijkstaat aan vijfenzeventig werkdagen. Lang leve de leerplicht! Voor de invoering ervan, als natuurkunde mijn interesse had gehad, zou ik op mijn dertiende meer van natuurkunde hebben geweten dan leraren me gedurende mijn middelbareschooltijd voorschotelden en … nondeju! Ik heb hier geen zin in! Ik wil genieten van de rust rond Los Navazos en schud gefrustreerd mijn hoofd als ik me erop betrap dat ik me afvraag hoe het mogelijk is dat Europeanen accepteren dat de EU tractoren en watertankaanhangers van Montelobaanse slachtveehouders subsidieert, zodat die boeren hun kuddes koeien en geiten niet langer naar troggen bij bronnen hoeven te drijven, terwijl diezelfde EU Europeanen aanmoedigt zich over te geven aan vegetarisme, waarvan iedereen die voor wat biologie betreft verder kijkt dan tot waar leerplicht haar of zijn neus heeft ingekort, weet dat het levensgevaarlijk is en … man, wat een pech soms, die perpetuele drukte in mijn hoofd.

 

Maandag 18 mei 2026. Zes uur ’s avonds. Zolang ik me fysiek niet te druk maak, is de hitte draaglijk. Geen huis te zien in de glooiende, geelbruine omgeving, die een paar weken geleden nog groen was en die me nu met een gevoel van weemoed aan Afrika doet denken, waar ik me in een vorig leven verstrooide—ik verhaal erover in Onbevlekte perceptie—met het verlossen van twee vrienden uit de beruchte Chikurubigevangenis in Harare, de hoofdstad van Zimbabwe. Geen leeuwen, olifanten of giraffen om me heen, maar achter me, in een met een eeuwenoude muur omheind weiland, grazen limousinkoeien, het geklingel van de bel om de nek van een van die koeien het enige geluid dat af en toe de stilte verstoort. Een paar honderd meter voor me cirkelen twintig, dertig gieren en om me heen raast Boris de kleine terriër. Stof stuift op van onder zijn pootjes en hij compenseert de combinatie van hitte en fysieke drukte door telkens weer in het water in de trog te springen, te gaan liggen, uit de trog te springen en naast me zijn natte vacht uit te schudden. Ik uh… ik vind het prima. Het diertje verdient zijn pret nadat hij vanmorgen urenlang braaf naast ons lag in een politiebureau in Salamanca.

 

Nadat we vorig jaar onze aanvragen indienden, was het vandaag Heidi’s beurt haar bewijs van residentie op te halen bij de extranjería, de vreemdelingendienst, in Salamanca. Ik haalde mijn bewijs van residentie drie weken geleden op nadat we een weekend in de Spaanse provincie Galicië doorbrachten.

 

Op zaterdag bezochten we met een makelaar een vervallen boerderij die te koop staat in de buurt van de stad Ponteceso, in het westen van Galicië. Op een camping in onze tent deden we die nacht geen oog dicht. In een dorp in de buurt was een feest gaande en met dezelfde weemoed waarmee ik zojuist aan Afrika dacht, dacht ik die nacht aan de feesten—ook daarover verhaal ik in Onbevlekte perceptie—die ik in dat vorige leven in Spanje beleefde en die nog niet in het teken stonden van wezenloze herrie. De wandeling over een verlaten strand die we de volgende ochtend maakten, maakte veel goed en weemoed speelde opnieuw op toen we die zondagmiddag door het dorp Fisterra kuierden en mijn gedachten naar de grauwe wintermiddag dwaalden waarop ik lang geleden op een jetski de haven van Fisterra binnenvoer.

 

Met die jetski—een apparaat om op te staan, niet om op te zitten—voer ik van Málaga, in het zuiden van Spanje, naar Scheveningen, een tocht die de geplande drie weken met acht weken overschreed. De onstuimigheid van de oceaan en de kou hadden die dag hun tol geëist en ik was blij dat mijn toen achttienjarige zoon, die me over land op een pizzabrommer begeleidde, onze tent in de pizzabak van zijn brommer had gelaten en een douche en twee bedden had geregeld in de Albergue Municipal de Fisterra, een onderkomen voor peregrinos, pelgrims, die na Santiago de Compostella te hebben aangedaan hun tocht met tachtig kilometer verlengen om die tocht in Fisterra definitief te beëindigen. Geen peregrino’s in de albergue die nacht. Wel Guardia Civilagenten, die door de havenmeester van onze komst op de hoogte waren gesteld. Het weer zou nog slechter worden en de agenten verboden me de volgende dag uit te varen. De hele volgende dag kuierden Ralf en ik door Fisterra en omdat het weer verder verslechterde, glipte ik de tweede dag na onze aankomst in Fisterra al voor zonsopkomst op mijn jetski de haven uit. Net rond Kaap Fisterra begreep ik waarom de Guardia Civil me had verboden uit te varen, maar voor geen goud had ik de kou, de angst en de eenzaamheid willen missen die ik mezelf die onheilspellend grauwe dag oplegde te trotseren in de grauwe Atlantische Oceaan, de grauwe rotsen van de Galicische Costa da Morte en de golven die er witschuimend op stuksloegen dan weer te ver weg, dan weer te dichtbij …

 

Halverwege de nacht kwamen Heidi en ik drie weken geleden thuis uit Fisterra en om tien uur de volgende ochtend meldden we ons bij de extranjería in Salamanca, waar de ambtenaar die ons behulpzaam was, volhardde dat in mijn digitale dossier de scan ontbrak van het betalingsbewijs van de leges die ik betaalde tijdens de aanvraag van mijn residentie. Ik uh… ik bewaarde mijn kalmte en dat was dom. Pas om twee uur middags—de scan van het betalingsbewijs ontbrak niet in mijn dossier—verlieten we met mijn bewijs van residentie de extranjería.

 

Twee keer reisden Heidi en ik daarna naar Galicië op en neer en vanmorgen, net voordat we in Salamanca de extranjería binnenstapten, belden we de makelaar in Ponteceso. We deden een bod op het boerderijtje dat we inmiddels drie keer hebben gezien en met de vrolijkheid die de plaats innam van de spanning die zich de laatste weken opbouwde, was het gedaan toen de ambtenaar die ons behulpzaam was, eiste dat Heidi, die—net als ik—jaren geleden al een periode resident was in Spanje, haar eerdere bewijs van residentie inleverde. Dat bewijs van residentie verliep in 2022. Het belandde in een prullenbak en als gevolg daarvan belandden wij in een patstelling omdat de ambtenaar die ons behulpzaam was niet zonder gezichtsverlies terug kon komen op het protocol dat ze net had verzonnen. Na een moment van onaangename stilte waarin ik me afvroeg hoeveel langer ik mijn kalmte nog wilde bewaren, lichtten de ogen van de ambtenaar op en hakkelend opperde ze dat we bij de politie aangifte konden doen van diefstal van Heidi’s eerdere bewijs van residentie. Op basis van het proces-verbaal dat de politie ons zou geven, kon Heidi’s nieuwe bewijs van residentie worden afgeven.

 

Nauwelijks waarneembaar schudde Heidi haar hoofd, wat betekende dat ze liever een politiebureau bezocht dan dat ik het opgaf mijn kalmte te bewaren, en dus staarden we een kwartier later in een overvolle wachtruimte van een politiebureau naar de langzaam naar boven schuivende combinaties van letters en cijfers op een beeldscherm en hoopten we dat de combinatie van letters en cijfers op het bonnetje dat we aan een balie hadden gekregen van de twee politieagenten die vandaag belast waren met het uitgeven van bonnetjes snel genoeg op het beeldscherm zou verschijnen om nog voor sluitingstijd terug te zijn bij de extranjería. Minuten regen zich aaneen tot kwartieren, tot halfuren, tot uren. Boris lag braaf naast ons en de twee politieagenten bij wie Heidi om kwart over een haar aangifte van vermissing deed—niet van diefstal—stelden om beurten listige vragen om zich ervan te overtuigen dat Heidi’s leugen de waarheid, de hele waarheid en niets anders dan de waarheid was. Gebruikmakend van een condortypesysteem—twee wijsvingers cirkelden boven een toetsenbord en zetten af en toe een duikvlucht in—digitaliseerde een van de politieagenten Heidi’s leugen, en haar collega overhandigde Heidi uiteindelijk het proces-verbaal, dat na wat gestuntel uit een printer rolde.

 

Boris blafte vrolijk toen we één minuut voor twee de extranjería binnenrenden. We gaven de Guardia Civilagenten die vandaag belast waren met het bedienen van de detectiepoort en de bagagescanner bij de ingang geen kans ons staande te houden, gaven onszelf een paar seconden om op adem te komen en stapten de kantoortuin binnen die we bijna vier uur eerder verlieten. Nog voordat Heidi haar proces-verbaal kon laten zien, riep de ambtenaar die ons eerder behulpzaam was geweest dat het te laat was, dat we een nieuwe afspraak moesten maken. Slim gaf ik het op mijn kalmte te bewaren en toen we twee minuten later met Heidi’s bewijs van residentie door de met marmer beklede ontvangsthal van de extranjería naar de uitgang wandelden, grinnikte ik inwendig bij de gedachte aan mijn schooljuffen en -meesters van weleer, die de democratie promootten door mijn klasgenootjes en mij er opnieuw en opnieuw op te wijzen hoe erg het was dat aristocraten en monarchen in vroeger tijden feestten op kosten van het volk en dure paleizen lieten bouwen.

 

In een leven dat zich afspeelde voor het leven waarin ik vrienden uit gevangenissen probeerde te verlossen, sevillanas danste tijdens Spaanse feesten en op een jetski het ruime sop koos, werkte ik af en toe voor een bedrijf dat Martinair Party Service heette. Mijn baas, Siebe was zijn naam, dacht dat ik studeerde aan de Hogere Hotelschool in Maastricht en ik zag geen reden hem op andere gedachten te brengen.

 

Martinair Party Service was een cateringbedrijf dat onder andere caterde tijdens feesten van democratisch gekozen bestuurders in Nederland en in de hoedanigheid van kelner—één kelner per vier feestende bestuurders was niet ongebruikelijk—beleefde ik op sprookjesachtige locaties feesten die qua kosten, daarvan was ik zeker, maar met moeite in de schaduw konden staan van de feesten van Lodewijk XIV van Frankrijk, een van de vier uitbundig feestende monarchen over wie ik ooit las—huidige uitbundig feestende monarchen zoals Carl XVI Gustaf van Zweden en prins Albert II van Monaco buiten beschouwing gelaten. Ik uh… ik klaagde niet, sipte achter de schermen van exquise wijnen en smulde van delicate gerechten, maar schooljuffen en -meesters hadden beter moeten weten—en misschien weten ze inmiddels beter—dan democratie te promoten door te suggereren dat democratische bestuurders niet feesten op kosten van het volk. En voor wat paleizen betreft, heb ik geen idee hoe in Nederland de kaarten zijn geschud, maar in Spanje, waar woningnood hoogtij viert, is het kleinste overheidsgebouw een paleis en … het voelt of iemand naar me kijkt. Van de limousinkoeien zie ik als ik omkijk alleen de ruggen, de gieren zijn verdwenen en Boris rolt zonder zich om me te bekommeren door het stof. Dan zie ik de kikker, die iets minder weegt dan het water dat zij of hij verplaatst en bewegingsloos in het water in de trog drijft.

 

Mooie kikker, een felgroene streep over haar of zijn kop. Ik schroef de dop op een volgesijpelde fles, zet hem in de krat naast me, pak de laatste lege fles, heb even spijt dat ik mijn telefoon thuis heb laten liggen—misschien belt de makelaar uit Ponteceso—zie de kikker naar de bodem van de trog duiken en denk aan de man die ooit na een avond uit wilde plassen in de Rotterdamse Wijnhaven. In plaats van op de kikker te plassen die naast hem op de kade zat—hij had even overwogen dat wel te doen—plaste hij in het water van de Wijnhaven en hij schrok toen hij de kikker hoorde zeggen: “Jij bent vanavond de eerste die in het water plast en niet op mij. Daarom mag je drie wensen doen.”

 

De man grinnikte, vroeg zich af of hij misschien toch iets te veel had gedronken, deed drie wensen, stapte in de auto en reed naar huis.

“Heb je het meegekregen?” vroeg zijn vrouw toen de man thuis de woonkamer binnenstapte, waar zijn vrouw televisiekeek.

“Wat?” beantwoordde de man de vraag van zijn vrouw met een vraag.

“Het is overal op het nieuws. De EU is ontbonden en het OM heeft de civiele aansprakelijkheidsprocedure voor opzettelijke misleiding die in Leeuwarden loopt tegen Mark Rutte, Bill Gates en nog vijftien COVID-kopstukken van destijds omgezet in een strafzaak. Iedereen die bij die zaak betrokken is, is gearresteerd. Daarnaast heeft een overheidswoordvoerder vanavond bekendgemaakt dat alle ambtenaren in Nederland al jaren via een AI-aangestuurd computerprobgramma worden gemonitord en op efficiëntie en behulpzaamheid worden beoordeeld. Morgen ontvangt twee derde van al die ambtenaren een ontslagbrief.”

“Dat is kras,” stotterde de man. “Dan zijn de drie wensen die ik zojuist heb gedaan, vervuld,” en hij vertelde wat hem in de stad was overkomen.

“Wat een verhaal,” zei zijn vrouw. “Maar wat er gebeurt, is ongekend en ik denk dat je die kikker moet bedanken.”

De man twijfelde even, besloot dat zijn vrouw gelijk had, stapte in de auto en reed de stad weer in. Hij vond de kikker en liet het dier weten hoe dankbaar hij was, waarop de kikker zei: “Het was geen moeite, maar misschien kun je iets voor mij doen?”

“Alles,” antwoordde de man zoals iedereen dat waarschijnlijk zou hebben gedaan.

“Misschien,” vroeg de kikker met wat schaamte, “zou je de liefde met me willen bedrijven? Niemand vindt me aantrekkelijk genoeg om dat te doen.”

“De liefde bedrijven met jou? Met een kikker?”

“Ook niet na die wensen die ik voor je heb vervuld?”

 

De man zwichtte. Hij keek om zich heen of niemand hem zag en liet zijn broek zakken. Heel voorzichtig ging hij op de kikker liggen en precies op dat moment veranderde de kikker in een meisje van veertien en dat, edelachtbare, is de waarheid, de hele waarheid en niets anders dan de waarheid!


Meer lezen? Neem een kijkje in de webshop.


 
 

Met jouw steun kan ik blijven schrijven.

Lieve groet, Nikko 🙂

Of doneer direct:

ES9430580709052720066355

BIC/Swift: CCRIES2AXXX

t.n.v. Nikko Norte

Dank je wel!

bottom of page