#33 Dommer dan ooit …

“Nik …” fluistert Heidi. Heidi is nog wakker en heeft door het doek van onze tent het blauwe schijnsel gezien dat op ons afkomt.
“Ik heb het gezien,” mompel ik terwijl ik inwendig grinnikend bedenk aan welke misdaden we ons naast wildkamperen nog meer schuldig maken. Een van die misdaden is waarschijnlijk dat ik niet meer omkeek naar het paspoort van Boris de kleine terriër, die tussen ons in ligt te slapen, nadat een Nederlandse dierenarts anderhalf jaar geleden in dat paspoort aantekende dat Boris tegen rabiës is ingeënt.
Vrijdag 24 april 2026. Laat vertrokken Heidi en ik vanmiddag uit Montelobado, het dorp waar we wonen in de Spaanse provincie Castilië en León. Bij het dorp Saucelle staken we de rivier de Duero over en daarmee de grens met Portugal. Door Portugal tuften we naar het noorden om bij het dorp Vila Verde da Raia de Spaanse provincie Galicië binnen te rijden.
In sommige Spaanse provincies is rabiës geen thema. In andere provincies dienen mensen hun hond er jaarlijks tegen in te laten enten, wat betekent dat ik die Nederlandse dierenarts terecht op het hart drukte Boris met rust te laten en zich slechts te bekommeren om een aantekening in zijn paspoort. Als rabiës—of iets anders—de volksgezondheid bedreigt en deskundigen oordelen per land of zelfs per provincie verschillend ten aanzien van de te nemen maatregelen, dan stellen die deskundigen hun deskundigheid niet in het belang van de volksgezondheid en is de bedreiging fake, wat we volgens de over onze gezondheid wakende WHO schrijven als PHEIC, Public Health Emergency of International Concern, en … “Ze staan stil,” onderbreekt Heidi mijn gedachten. “Denk je …?”
“Als ze doorrijden wel.”
“Maar ik hoor geen motor.”
“Dan rijdt de Guardia Civil hier in Tesla’s of in iets anders milieuverwoestends.”
“Maar waarom die zwaailichten?”
“De Guardia Civil rijdt meestal met zwaailichten aan. Overdag valt dat niet op,” en ik kan niet ontkennen dat ik wat opluchting voel als ik het gekraak hoor van de wielen van een kerende auto op een onverharde ondergrond en ik het blauwe schijnsel bij ons vandaan zie bewegen. Maar die opluchting, jammer, gaat snel over in de op mezelf gerichte boosheid die al weken een stempel drukt op mijn humeur.
Negen maanden geleden verhuisden Heidi en ik vanuit het zuiden van Spanje naar Montelobado, waar we een pand op het oog hadden waarin we naast woonruimte onze holbewonercodestudio’s konden bouwen. De oorspronkelijke studio’s bouwden we in 2023 in de boekenloods van de Nederlandse uitgever van mijn boek De holbewonercode en we raakten die studio’s kwijt toen we met die uitgever braken. Nadat we in Montelobado tijdelijk een huisje hadden gehuurd, zetten de verkopers van het pand dat we op het oog hadden zoveel druk op de ketel dat we van de koop afzagen en in de veronderstelling in het ontvolkte dorp snel een ander geschikt pand te vinden, verlengden we de huur van het huisje dat we huurden, wat uh… wat nogal dom was.
Montelobado ligt in de Spaanse donut, de brede, goeddeels ontvolkte ring rond Madrid. De ontvolking van die ring begon zo’n vijftienhonderd jaar geleden en stond waarschijnlijk deels in verband met de zon, die vanaf 536 ruim honderd jaar zijn helderheid verloor, een van de meest significante klimaatfenomenen uit de recente geschiedenis. Van 536 tot 545 beleefden delen van de wereld het koudste decennium van de laatste tweeduizend jaar en het Iberische schiereiland werd daaropvolgend tot 570 getroffen door extreme droogte. Op het Iberische schiereiland bevestigen boomringen, pollen in sedimenten, en druipstenen in grotten het door contemporaine auteurs uit verschillende delen van de wereld opgetekende verhaal over de zon die zijn helderheid verloor, een verhaal, is inmiddels vrijwel zeker, dat zijn oorsprong vindt in een reeks vulkaanuitbarstingen. Uit door vulkanen uitgestoten zwaveldioxide ontstonden in de stratosfeer sulfaatdeeltjes die een sluier rond de aarde vormden en zonlicht terugkaatsten. De volgende aanhoudende droogte op het Iberische schiereiland, die rond 700 begon, wakkerde de ontvolking van de donut verder aan.
Om doorgaans militaire redenen probeerden verschillende heersers delen van de donut te herbevolken en in de twaalfde en dertiende eeuw waren de koningen van León Fernando II en Alfonso IX succesvol in het herbevolken van Montelobado en de dorpen in de omgeving. In de jaren 60 startte de definitieve ontvolking en ik weet dat aan de lokroep van de stad. Ik zat ernaast. Rond 660 herstelde zich op het Iberische schiereiland het klimaat van voor 536 en tegen dat klimaat legt de moderne mens het af. Hete zomers gaan abrupt over in koude, natte winters die abrupt overgaan in hete zomers. Maar toch, met werk aan een stuwdam in de rivier de Duero als beloning, waren sommige moderne mensen bereid de regio bevolkt te houden. Toen die stuwdam en de bijbehorende krachtcentrale waren voltooid, startte die definitieve ontvolking.
Geen beloning voor Heidi en mij in het ontvolkte Montelobado en ook geen geschikt pand, want Montelobado, ontdekten we, is niet het authentiek levende en naar herbevolking strevende dorp dat we ons door de burgemeester en een paar van de paar bewoners op de mouw hadden laten spelden dat het is, maar is net als de meeste dorpen in de Spaanse donut een vergaan Center Parcspark. Familieleden van overleden bewoners gebruiken de woningen die ze erfden als vakantiewoning, wat betekent dat Montelobado van oktober tot en met juni een spookdorp is en in juli, augustus en september een almaar wisselende populatie kent van niet geheel van xenofobie gespeende mensen uit steden buiten de donut. En die xenofobie, eerlijk is eerlijk, doet niets af aan de charme die we Montelobado toedichtten toen we er belandden. Ondanks dat Heidi en ik al sinds jaar en dag lijdend voorwerp zijn van xenofobie leven we graag onder xenofobe mensen. Verstandige mensen zijn immers xenofoob en geen vreemdeling, gesteld dat zij of hij in bescheidenheid assimileert, hoeft zich er iets van aan te trekken omdat het nu eenmaal zo is dat geen samenleving overleeft zónder de invloed van vreemdelingen.
Hoe het ook zij, Montelobado is geen authentiek levend en naar herbevolking strevend dorp. Het klimaat in de regio compenseert daarvoor niet en op de dag dat Heidi en ik dat beseften, had ik voor moeten stellen de huur van het huisje dat we huurden op te zeggen. Natuurlijk had Heidi dat ook voor kunnen stellen, en natuurlijk weet Heidi hoe belangrijk het is oude schoenen weg te gooien voordat we nieuwe hebben, maar ze legt de verantwoordelijkheid voor het voorstellen van koerswijzigingen in ons leven graag bij mij en ik uh… ik stelde niets voor. Ik transformeerde in boer Kinsella uit de film Field of dreams en luisterde nog slechts naar de stem in mijn hoofd die fluisterde: “If you build it, he will come.”
Kinsella geloofde in de komst van honkbalspeler Shoeless Joe Jackson als hij op een van zijn akkers een honkbalstadion bouwde. Ik geloofde in de komst van vreemdelingen als ik de paar lege schuren in Montelobado—die wél te koop staan—zou verbouwen tot een café zonder barista maar mét goede koffie, een open haard, een pooltafel en een flipperkast, tot minirestaurants, die op reservering openen, tot winkels, die onlinewinkels zijn maar toch een etalage hebben, en tot gezellige B&B’s. Mensen zouden hun geërfde woningen alsnog te koop zetten, vreemdelingen zouden toestromen om in Montelobado een authentiek leven te leiden, Heidi en ik zouden een geschikt pand vinden voor onze studio’s—mooi neonlogo op de gevel—en … “Truste,” zegt Heidi hard genoeg om het plotselinge geroffel van regen op het doek van onze tent te overstemmen. Zonder Boris wakker te maken, draai ik me naar haar toe. Ik schuif een arm onder haar kussen, zeg: “Truste,” en grinnik opnieuw inwendig als ik denk aan de laatste keer dat ik wildkampeerde.
Twee weken geleden, op de terugweg uit Málaga, waar ik een begrafenis bijwoonde, stond ik laat op de avond ten zuiden van de stad Trujillo voor de keuze koffie te drinken in een venta, daarna door te rijden en om vier uur ’s nachts thuis te komen of geen koffie te drinken, een paar uur te slapen en om tien uur de volgende ochtend thuis te komen. Ik vocht de lokroep van koffie van me af, zette net voorbij de venta onze tent op en de boer die me betrapte toen ik nog voor de dageraad die tent weer inpakte terwijl de gasbrander snorde onder onze mokkapot beet me toe dat het een puinhoop wordt, un desastre, als iedereen wild zou kamperen. Lachend had ik geantwoord: “Te equivocas je vergist je. Todo se ha convertido en un desastre alles is in een puinhoop veranderd omdat mensen zijn gestopt met wildkamperen.”
“Huh…?”
Maar mijn inwendige gegrinnik noch het geroffel van de regen op de doek van onze tent doet iets af aan de op mezelf gerichte boosheid die al weken een stempel drukt op mijn humeur. Al in oktober 2025 besloten Heidi en ik van de koop van dat pand in Montelobado af te zien. De hete zomer ging abrupt over in een koude, natte winter en weggekropen in een slaapzak werkte ik aan het campingtafeltje dat me in onze woonkamer tot bureau dient, herrees Montelobado in mijn gedachten en negeerde ik Heidi’s ergernis, die telkens weer opspeelde als ik verhaalde welke schuur waarin zou veranderen en hoe ik die verandering dacht te verwezenlijken. De ochtend dat ik uit Málaga thuiskwam, koffiezette en verhaalde welke herrijzenisplannen ik in de auto bijeen had gepiekerd, was Heidi’s geduld op. Ze liet me toegeven dat mijn geloof in de herrijzenis van Montelobado geloof in onzin is en daarmee—super—was de eerste stap gezet naar het vinden van een oplossing voor de bouw van onze studio’s en kiemde—minder super—die op mezelf gerichte boosheid.
Wat is er al die maanden met me aan de hand geweest? Natuurlijk zat ik niet stil; ik schreef meer dan ooit. Maar schrijven, nondeju, kan ik overal en ook Heidi is voor haar werk niet aan een locatie gebonden. We hadden de laatste maanden van 2025 in het Noord-Spaanse Navarra door kunnen brengen—in onze tent op een camping. We hadden Navarra kunnen verkennen en waren daar misschien op een geschikt pand gestuit. Na Navarra een maand in Cantabrië, daarna een maand in Asturië. Nee, nee, ik geloofde, heilig, in de herrijzenis van een dorp in de Spaanse donut en … Boris hapt naar mijn neus. Geen geroffel meer van regen op het doek van onze tent. Man, ik heb als een blok geslapen! Ik stoei even met Boris en vraag hem Heidi wakker te maken.
Langzaam komt het schijnsel op me af van de Petzl op het hoofd van Heidi, die met Boris door het donkeredierenbos wandelt waarin we te gast zijn. Ik heb onze matjes en slaapzakken opgerold, onze natte tent afgebroken en opgevouwen, zit op een omgezaagde boom en geniet van de geur van het bos en van de rust die in mijn hoofd de plaats van op mezelf gerichte boosheid heeft ingenomen. Tussen mijn benen snort de gasbrander onder onze mokkapot en op het moment dat ik me realiseer dat de Guardia Civil vannacht geen bocht verder had moeten rijden, springen mijn gedachten naar een Montelobaanse buurvrouw.
Meer dan zestig jaar woonde die buurvrouw met haar man in een dorp zo’n honderd kilometer van Montelobado. Sinds haar man in een verzorgingshuis is opgenomen, woont ze in Montelobado, in het huis waarin ze achtentachtig jaar geleden werd geboren. Er was ingebroken in het huis waarin ze voorheen met haar man woonde en daarom, vertelde ze ons eergisteren ontdaan, was ze een paar dagen weggeweest. Er was niets uit haar huis gestolen, maar het hele huis was overhoop gehaald. Een bende inbrekers, vertelde ze verder, brak de voorgaande drie nachten in drie buurdorpen in tientallen huizen in en de Guardia Civil, had een Guardia Civilagent uitgelegd, stond machteloos.
Een ongelofelijk verhaal, maar zoals ik in de herrijzenis van Montelobado geloofde, gelooft Spanje—waar voor 1975 niemand zelfs maar aan inbreken dacht—dat de Guardia Civil in 2026, alle denkbare moderne middelen tot haar beschikking, machteloos staat tegenover inbrekende bendes en desalniettemin garant staat voor veiligheid binnen de samenleving en met de rust in mijn hoofd is het gedaan als ik besef hoe recent het fenomeen geloof is.
Een uitzondering ongetwijfeld daargelaten, razen plotseling mijn gedachten, geloofde geen mens ooit werkelijk in goden. Goden stonden symbool voor van alles en nog wat en vulden leemtes die niet met kennis konden worden gevuld. Het toenemen van kennis reduceerde het belang van goden en net voordat Jan Klaassen en Katrijn definitief hun plaats innamen, introduceerden slimme mensen op verschillende plekken in de wereld monotheïsme, van christendom tot zoroastrisme—niet in die volgorde en ja, het is verdedigbaar zoroastrisme henotheïsme te noemen—omdat ze aanvoelden dat monotheïsme kansen biedt de mensheid in een controleerbaar keurslijf te manipuleren. Een uitzondering ongetwijfeld daargelaten, geloofde nog steeds geen mens werkelijk in die ene god—welke het ook was—maar grote delen van de mensheid omarmden monotheïsme vanwege de culturele status die het verwierf en de verbondenheid die het creëerde.
Aan die culturele status en verbondenheid kwam in het Westen aan het begin van de zestiende eeuw een einde toen een Duitser die destijds rijker was dan de man die vandaag de dag milieuverwoestende Tesla’s produceert tot ergernis van de monnik Maarten Luther nóg rijker werd door via een kleine omweg de handel in aflaten te stimuleren. Luther, zijn ergernis overgegaan in woede, schreef zijn Dispuut ter verklaring van de kracht van aflaten en de Reformatie kreeg tractie. De culturele status van de katholieke kerk en de verbondenheid die hij creëerde verwaterden en langzaam begonnen in het Westen meer mensen werkelijk te geloven, hoewel niet per se in die ene god. Het uitgangspunt voor Luthers tweerijkenleer, het geestelijke rijk en het wereldlijke rijk, was immers duidelijk: mensen zijn zondig en hebben wereldlijk gezag nodig om te voorkomen dat chaos een greep naar de macht doet. Dat uitgangspunt legde een solide basis voor alles waarin de westerse mens sinds kort gelooft en waarin geen mens zou geloven als niet bijna iedere westerse mens inmiddels zou geloven dat wie nadenkt een complotdenker is.
Heiliger dan we ooit in goden of god geloofden, geloven we dat het oké is de zorg voor de gezondheid van onze dieren onvoorwaardelijk aan willekeurig welke dierenarts over te dragen en de zorg voor onze eigen gezondheid aan de WHO en heilig geloven we dat het wijs is te bouwen op een politiek omhooggevallen schoolmeester als de WHO een fake PHEIC uitroept. Heilig geloven we dat het een desastre wordt als ons justitiële apparaat toestaat dat mensen zich schuldig maken aan onschuldige zaken zoals wildkamperen—inbraak geen thema—en heilig geloven we dat alleen de mens abrupte veranderingen in het klimaat kan bewerkstelligen.
En ook al horen we te weten dat sommige wereldlijke en kerkelijke bestuurders al in de zestiende eeuw hun posities dankten aan de invloed van de rijke Duitser die Luther tot woede dreef, geloven we heilig dat de Mark Ruttes van deze wereld hun posities danken aan louter democratische processen, niet aan massamanipulatie door de media, dat ze het beste met ons voorhebben en dat ze onder geen beding hun oren laten hangen naar de opvolgers van de Duitser, Jakob Fugger was zijn naam, die Luther tot woede dreef. We geloven voor wat dat laatste betreft immers heilig dat Plato, alweer bijna drieduizend jaar geleden, een klap van de molen had gehad toen hij in De wetten voor zijn denkbeeldige stad Magnesia een systeem voorstelde dat voorkomt dat de macht bij een rijke elite komt te liggen en … man, ik word soms zo moe van mezelf, hoewel ik voor de eerste keer vandaag inwendig grinnik als ik denk aan de uitspraken die Plato zijn Atheense vreemdeling in De wetten laat doen ten aanzien van inbraak.
En toch is het zo dat tientallen sociologische studies de relatie belichten tussen de Reformatie en gehoorzaamheid aan wereldlijk gezag. Tientallen grote denkers schreven erover. De relatie met geloof legde ik zelf, maar ik geloof niet dat ik er ver naast zit als ik stel dat onvoorwaardelijk geloof in de meest ongelofelijke onzin een recent fenomeen is en …”Iets aan de hand?” onderbreekt Heidi mijn gepieker terwijl Boris op mijn schoot springt en de mokkapot begint te sputteren. Ik schenk koffie in twee mokken en antwoord: “Ik denk dat geloof een recent fenomeen is.”
“Jeetje …”
“Maar ik schiet mezelf in de voet als ik stel dat mensen ooit zonder werkelijk te geloven zoveel aflaten kochten dat het Luther woedend maakte.”
“Natuurlijk …”
“Ik denk dat geloof niets met het kopen van die aflaten te maken had, maar dat mensen zich vanuit cultureel geïnduceerde onwetendheid, agnotologie, verplicht voelden die aflaten te kopen.”
“Agno... uh...! Absoluut! Iets anders kan het niet zijn geweest! Maar misschien kunnen we de dag iets luchtiger beginnen. We hebben om tien uur afgesproken, toch? Hoe ver is het nog?”
Iets na zeven uur houden we in de stad A Estrada halt voor een café dat Invictus heet. We hebben nog anderhalf uur te gaan naar de stad Ponteceso, in het westen van Galicië, waar we een afspraak hebben met een makelaar om een vervallen boerderij te bekijken. Boris springt kwispelend op tegen een van de twee Guardia Civilagenten die koffiedrinken aan de toog van Café Invictus en terwijl Heidi koffie bestelt, hoor ik mezelf in mijn gedachten uit William Ernest Henleys Invictus citeren: “I thank whatever gods may be for my unconquerable soul,” waar ik achteraan denk dat als we ooit de eerste stap willen zetten naar het herwinnen van onze onoverwinnelijke ziel, als we onze epistemologische ondergang nog even af willen houden, we toe zullen moeten geven dat we geloviger zijn dan mensen ooit waren, dat waarin we geloven onzin is en dat we dus in tegenstelling tot wat we heilig geloven dommer zijn dan mensen ooit waren …
Meer lezen? Neem een kijkje in de webshop.



