top of page

Tussen boogschutters en bierblikjes ...

Bijgewerkt op: 14 jan

Tumult vannacht. Ik vloog uit bed, was in twee stappen door de woonkamer, stapte de treden af naar de keuken en zag door het raam naast de voordeur van onze grotwoning licht heen en weer bewegen op de patio. Wat er aan de hand was, begreep ik niet, maar hoe er iets aan de hand kon zijn, was klip en klaar. De stalen deur die toegang geeft tot onze ommuurde patio klemt als de zon erop schijnt. Het gebeurt soms dat Heidi en ik ’s morgens vroeg aan het werk gaan, de tijd vergeten en de patiodeur niet open krijgen als we halverwege de ochtend naar de sportschool willen fietsen. Om niet telkens weer onze buren te hulp te moeten roepen, duwen we de patiodeur ’s avonds maar een klein stukje dicht, niet in het slot, zodat we hem toch nog open kunnen wrikken als we de zon er 's morgens per ongeluk te lang op laten schijnen.

 

Bruine uniformen met gele logo’s erop. Beveiligers! Met hun maglites schenen ze door het raam in mijn gezicht, knuppels in de hand, en ze sommeerden me naar buiten te komen. Terwijl ik bukte en mijn schoenen aantrok, kwam Heidi naast me staan. Slaperig vroeg ze wat de plannen waren.

“Sukkels met knuppels op de patio. Volgens de Spaanse wet mag ik geweld toepassen als ons huis of terrein is afgesloten en iemand zich zonder toestemming toegang verschaft," antwoordde ik opgewonden, waarop Heidi het uitproestte.

“Wat …?” vroeg ik verbolgen terwijl ik overeind kwam en buiten het geschreeuw om mijn overgave luider werd.

“Nik,” zei Heidi, “je hebt een paar bergschoenen aan en verder niks,” en dat was waar hoewel het geen afbreuk deed aan mijn strijdlust. Maar Heidi was voor de voordeur gaan staan en zei: “Luister, we doen wat iedereen zou doen in deze situatie en bellen de politie,” en ze duwde me haar telefoon in de hand. Ik tikte 112 in en sprak met een politieagent, die me verzekerde dat zijn collega’s onderweg waren. Heidi schoof het keukenraam open en zei langs de tralies ervoor: “Señores, hemos llamado a la policía. Está aquí dentro poco.”

De beveiligers gingen ervandoor—lieten de patiodeur wijd open staan—en ik mompelde: “Estará.”

Estará?

“Toekomende tijd. La policía estará aquí dentro poco, niet está aquí.”

“Oh, wat ben je toch een vervelend ventje. Duw die patiodeur in het slot—er komt toch geen politie vanavond—trek je schoenen uit en kom naar bed.”

 

Geen politie vannacht. Het is inmiddels één uur ’s middags en ik zit in het gras, mijn rug tegen een kasteelmuur, en staar over Antequera, een kleine stad in Andalusië, waar Heidi en ik inmiddels zes weken wonen. Van een buurman leerde ik vanmorgen dat beveiligers iemand achternazaten van wie ze zeker wisten dat hij ons huis was binnengegaan en … 16 september 2024! Vandaag, bereken ik, is het 614 jaar geleden dat de Spaanse prins Fernando het versterkte dorp waarvan het kasteel waartegen ik leun deel uitmaakte, veroverde op de Moren.

 

Dat versterkte dorp, een medina, zo'n drie- bij vierhonderd meter groot, heette destijds Medina Antagira en los van het garnizoen dat er was gelegerd, leefden in 1410 zo’n tweeduizend mensen in Medina Antagira. Op een enkele akker en boomgaard na was de volgebouwde omgeving waarover ik nu staar ongecultiveerd en onbebouwd.

 

Al in 1361 vielen de Spanjaarden de medina aan. De Moren sloegen die aanval af en versterkten in de jaren die volgden de muren en torens rond de medina. Fernando begon met de omsingeling van de medina op 26 april 1410. Regen en gebrek aan materieel weerhielden hem ervan de aanval in te zetten, wat de emir van Granada volgens de geschiedenisboeken in de gelegenheid stelde vijfentachtigduizend strijders op de been te brengen, die op 4 mei zo’n vijftien kilometer van Medina Antagira hun kamp opsloegen. Ik uh… ik probeer me de opmars van vijfentachtigduizend strijders voor te stellen en realiseer me dat de chroniqueurs zich vergist moeten hebben. Een troepenmacht van vijfentachtighonderd strijders die vanuit Granada westwaarts trok, is aannemelijker.

 

Op een plek waar Heidi en ik regelmatig wandelen en waarvan ik begrijp dat-ie destijds strategisch belangrijk was, kwam het op 6 mei tot een botsing tussen een daar gestationeerd deel van het leger van Fernando, onder leiding van de bisschop van Rojas, en de troepenmacht van de emir van Granada. Rojas en zijn soldaten werden in het nauw gedreven. Fernando kwam ze met een deel van zijn hoofdmacht te hulp en de troepenmacht van de emir vluchtte terug naar Granada.

 

De poging die de emir daarna deed te onderhandelen, wees Fernando af, omdat hij wist dat de verovering van Medina Antagira hem zou helpen koning van Aragón te worden. De Moren in de medina verijdelden ondertussen een poging van Fernando’s soldaten een tunnel onder de muren door te graven, maar Fernando positioneerde met succes boogschutters op de berghelling tegenover de waterpoort, die door de Moorse boogschutters op de toren naast de waterpoort—hij bestaat nog—niet geraakt konden worden. Geen Moor waagde zich nog naar de Rio de la villa, een beek zo’n veertig meter van de waterpoort, en de bevolking van de medina moest het doen met water uit de enige waterput in de medina. Daarnaast liet Fernando delen van de buitenste twee van de drie grachten rond de medina dichtscheppen en liet hij drie verrijdbare aanvalstorens bouwen. Van twee torens konden kruisboogschutters de Moren op delen van de muren rond de medina bestoken. In de derde toren konden soldaten zich verschansen. Die derde toren helde licht naar voren om over de gracht direct rond de muren van de medina te reiken en op zijn hoogste punt was hij uitgerust met een uitschuifbare loopbrug waarover soldaten naar de trans van een verdedigingstoren konden oversteken.

 

Op 27 juni was het zover. Volgens de geschiedenisboeken liet Fernando een zwaar bombardement uitvoeren voordat zijn soldaten de medina bestormden. De pothonden die destijds in gebruik waren, waren echter niet geschikt voor het uitvoeren van zware bombardementen en dat de chroniqueurs zich vergissen, komt mogelijk door het woord bombarde, dat in Latijnse talen voor pothond wordt gebruikt en waarvan het woord bombarderen is afgeleid, en mijn gedachten dwalen naar Afghanistan, waar Nederlandse militairen telkens weer het woord aanval gebruikten als ze ergens een knal hoorden waarvoor ze niet zelf verantwoordelijk waren en het woord vechten als ze na het horen van zo'n knal vanuit hun voertuigen wild om zich heen schoten. Dat leidde in eerste instantie tot journalistieke, later tot geschiedkundige vergissingen en … nondeju! Ik wil niet aan Nederlandse militairen in Afghanistan denken. Ik wil een Moor zijn in Medina Antagira.

 

Glurend langs opgespannen huiden en kleden zien mijn kompanen en ik en de drie boogschutters met wie we ons op een verdedigingstoren hebben verschanst drie aanvalstorens langzaam dichterbij komen. We durfden zojuist nog op te staan om stenen te gooien en te slingeren en de boogschutters durfden tussen de kantelen door hun pijlen nog af te schieten. De aanvalstorens zijn nu te dichtbij en de Spaanse boogschutters zijn akelig accuraat met hun rare korte pijlen. Boogschutters en dorpsgenoten op de muren onder ons schreeuwen dat de ladders die de Spanjaarden gebruiken om door de droogstaande gracht te klimmen en tegen de muren op te kort zijn. Dat geeft hoop tot uit de grootste aanvalstoren een loopbrug naar ons toe schuift. We zien Spanjaarden bewegen achter de planken die ze op de toren tot dekking dienen. Dit is het moment waarvan onze boogschutters gebruik zouden moeten maken, maar de Spaanse boogschutters op de andere twee torens zijn zó dichtbij dat niemand nog op durft te staan. Struikelend over onze eigen benen rennen we op het teken van een van mijn kompanen de trappen af en we steken het brandbare materiaal waarmee we de afgelopen weken deze verdedigingstoren volstouwden in brand. Al snel slaan vlammen uit de ramen van de toren. Dikke rook waait in de richting van de Spanjaarden en ... het plan slaagt; de loopbrug vat vlam. De Spanjaarden trekken zich terug en duwen en slepen de brandende aanvalstoren met zich mee.

 

Juli, augustus en het eerste deel van september gaan voorbij. We hebben in de medina net voldoende voedsel en water om te overleven en angst regeert wat we nu leven noemen, deels omdat de Spanjaarden af en toe vanuit lompe machines met een knal grote stenen ballen op ons af laten suizen. Vanaf de muren zien we dat de aanvalstorens zijn herbouwd en versterkt en als stofwolken aan de horizon de komst van Spaanse versterkingen verraden, weten we dat de volgende aanval niet lang meer op zich laat wachten.

 

Als die aanval komt, op 16 september, beman ik dezelfde toren die ik tijdens de eerste aanval bemande. De Spaanse boogschutters zijn trefzekerder dan ooit en eerder dan ik had verwacht, trekken onze boogschutters zich terug naar het kasteel. Een vrouw naast me wordt door een pijl geraakt als ze een steen gooit. Het is een gewone pijl, niet zo’n rare korte, zie ik in een flits voordat ze gillend de trappen afrent. Met vuur kunnen we de grote aanvalstoren, de toren die het dichtst bij ons komt, niet bestrijden vandaag. De wind staat verkeerd en de Spanjaarden hebben het ding van nog meer bechermende huiden voorzien. Als de loopbrug in onze richting schuift, weten we dat we verloren zijn. Mijn kompanen en ik stuiven de trappen af en zoals ons is opgedragen, hakken we met onze bijlen in op de smalle brug over de gracht rond de toren—ook binnen de muren is rond die toren een gracht gegraven. Net voordat de eerste Spanjaard zich in de deuropening van de toren laat zien, bezwijkt de brug en zijn de Spanjaarden voorlopig ingesloten in de toren. Als we de muren kunnen behouden, bedenk ik, is er een kans dat we ook deze aanval afslaan, maar de Spanjaarden die zojuist onze toren veroverden, kunnen nu vanaf de top ervan zonder risico hun pijlen op onze mensen op de muren richten en natuurlijk gebruiken de Spanjaarden vandaag langere ladders om de muren te beklimmen.

 

Ik ren naar een trap die naar de rondgang aan de muren leidt en krijg de schrik van mijn leven. Een Spanjaard kruipt de medina binnen door een afvoergoot voor regenwater. De Spanjaarden hebben die goot van buitenaf wijder gemaakt! Meer Spanjaarden kruipen uit die afvoergoot. Ik gil, maar niemand hoort me, want iedereen gilt en schreeuwt. En overal is rook. Ditmaal zijn de Spanjaarden voor de rook verantwoordelijk. Ze hebben horens en hoeven van dieren op hun vuren gegooid. De zware rook die daarvan het gevolg is, drijft in onze richting en draagt bij aan de verwarring. Niemand reageert op mijn gegil en het is te laat. Van binnenuit openen de Spanjaarden die de medina binnen zijn gedrongen een poort. Hordes Spanjaarden stormen juichend de medina binnen en … troep! Overal om me heen ligt troep, valt me plotseling op.

 

Na een urenlange tocht langs lokaleoverheidsinstellingen wilde ik hier mijn frustratie even van me af piekeren. Ik legde mijn fiets in het gras, ging zitten, mijn rug tegen een kasteelmuur, dacht aan het tumult op onze patio vannacht, droomde mezelf naar 1410 en registreer pas nu de troep waartussen ik zit. Plastic glazen en flessen, kapot gegooide glazen bierflessen, limonadeblikjes, servetten, zakken van McDonald’s, styrofoam doosjes, kartonnen bekers, pizzadozen, zilverpapier waarin kebab verpakt is geweest, leeggegeten zakken chips en … oh man …

 

Elke avond verzamelen jongelui zich hier, smikkelend en smullend, gebogen over hun telefoons. Afval verdwijnt niet langer in de prullenbakken die links, rechts en overal staan, maar wordt op de grond gegooid en ik grinnik inwendig als ik bedenk dat geschiedenisboeken ooit zullen melden dat Europeanen, om een milieuramp in de kiem te smoren, vanaf 2030 hun huizen nog slechts met speciale toestemming daartoe mochten verlaten, wat in die zin een vergissing is dat chroniqueurs zullen verzuimen te melden dat ouders, sinds de millenniumwissel, met steeds meer overtuiging de opvoeding van hun kinderen uit handen gaven aan de staat en hun kinderen meer en meer tijd in hun telefoons lieten leven. Van zowel de staat als van hun telefoons leerden kinderen dat pizza menseneten is en dat een pizzadoos meer of minder in het milieu geen verschil meer maakte omdat voorgaande generaties een milieuramp onvermijdelijk hadden gemaakt en uh… ik word soms zo moe van mezelf.

 

Net voordat Heidi en ik zes weken geleden in Antequera belandden, confronteerde Heidi me met de waarheid dat ik geen andere keuze had dan de deur van de samenwerking met mijn uitgever achter ons dicht te trekken. Ik uh… ik had hoog ingezet op die samenwerking maar vond gelukkig snel een andere deur die opende. Het werk achter die deur stapelt zich echter zo hoog op dat ik me afvraag of ik het niet liever met Spaanse kruisboogschutters aan de stok heb. Daarnaast is het nogal een onderneming ons in Antequera officieel te vestigen en als kers op de taart wist een boekhouder me ervan te overtuigen dat ik me in moet schrijven als zelfstandige, wat meer tochten langs overheidsinstellingen—lokaal en provinciaal—met zich meebrengt, en ik grinnik opnieuw inwendig als ik denk aan mijn tijd als zelfstandige in Nederland in een vorig leven.

 

Een stuntteam was een van de zaken waarmee ik als zelfstandige in de weer was. Organisaties van braderieën, dorpsfeesten, sinterklaasintochten, missverkiezingen en wat niet huurden mijn team in om wat het ook was op te leuken met een spectaculaire actie. Maar uh… ik nam de zaken serieus. Ik huurde een klein kantoor—dat er gelikt uitzag nadat ik het had geschilderd en had ingericht met meubels die ik zelf bouwde—en werk kwam van alle kanten op me af. Mijn mechanische typemachine maakte plaats voor een elektrische Brother AX-10, die plaatsmaakte voor een computer waarop het programma WordStar draaide. Met groene of oranje letters op een zwarte ondergrond typte ik brieven en offertes, die een daisywheelprinter voor me printte. Een matrixprinter nam de rekeningen die ik typte voor zijn rekening.

 

Werk kwam uiteindelijk van zoveel kanten op me af dat ik de hal naar mijn kantoor tot receptie verbouwde, waarover Jeannette, een vrolijke wijsneus die ik in dienst nam, de scepter zwaaide. Jeannette trok alle administratieve rompslomp naar zich toe die mijn strapatsen met zich meebrachten en man, we maakten lange dagen, Jeannette en ik. Maar we hadden dikke pret, hoewel er momenten waren dat mijn onvermogen het mogelijke van het onmogelijke te scheiden op die pret een schaduw wierp. Feilloos voelde Jeannette aan wanneer het tijd was voor een interventie. Ze zette in voorkomend geval een kop koffie op mijn bureau, dwong me toe te geven in welke problemen ik me had gemanoeuvreerd en zei: “Luister, rare dwerg, er is maar één manier om problemen op te lossen en dat is dwars erdoorheen,” waarop ik mijn koffie opdronk, de telefoon oppakte of mijn kantoor uit beende en mijn problemen oploste.

 

Maar de problemen van destijds, een enkel probleem met WordStar daargelaten, waren analoge problemen. Rug recht—na een reprimande van Jeannette—en dwars erdoorheen. Nu, in Antequera, bevecht ik een zevenkoppige digitale draak. En dat is niet per se wat me frustreert. Het zijn de holle ogen waarmee mensen me in overheidsinstellingen aankijken die me frustreren. Hun hulpeloosheid, die te snel overgaat in passieve agressie …

 

Ik wil terug naar 1410, maar een vrolijke wijsneus geeft me een kop koffie. Als ik toegeef in welke problemen ik mezelf hier gemanoeuvreerd voel, proest ze het uit en ik besef dat wat ik problemen noem geen echte problemen zijn. De overheidsinstellingen die ik vandaag bezocht, bezoek ik opnieuw—en opnieuw, als het moet—tot iemand in een beeldscherm dat ene vakje aanvinkt dat nog niet is aangevinkt en Heidi en ik officieel gevestigd zijn in Antequera en ik officieel geregistreerd ben als zelfstandige en ik moet me ervan weerhouden het zelf uit te proesten als ik me realiseer dat in 1410 iedereen een gelukkige zelfstandige was.


Ik herinner mezelf aan het opgestapelde werk dat thuis op me wacht—en waar ik doorheen wil suizen als een stenen bal uit een pothond, nu ik de slag om Medina Antagira heb overleefd en Jeannette na zoveel jaar weer heb ontmoet—pak mijn fiets uit het gras, spring erop en dender de heuvel af naar onze grotwoning terwijl ik denk aan Prins Fernando, die na zijn overwinning hier, op 16 september 1410, de oorlog tegen de Moren staakte omdat het hem ondanks de buit die hij vlak achter me verzamelde, ontbrak aan de financiële middelen die oorlog voort te zetten. Vandaag de dag zijn oorlogen een bron van financiële middelen en de buit, die doorgaans wordt verzameld voordat de eerste slag is geleverd, wordt deels uitgegeven aan meesterlijk opgezette indoctrinatiecampagnes die mensen ervan overtuigen hoe belangrijk onze oorlogen zijn. Lachend financieren mensen de buit van de meeste oorlogen zonder een idee te hebben waarom die oorlogen worden gevoerd en zonder ook maar vaag van die oorlogen te profiteren …


 
 

Met jouw steun kan ik blijven schrijven.

Lieve groet, Nikko 🙂

Of doneer direct:

ES9430580709052720066355

BIC/Swift: CCRIES2AXXX

t.n.v. Nikko Norte

Dank je wel!

bottom of page