Bokito en Dostojeswski …
- Nikko Norte

- 12 jan
- 10 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 2 dagen geleden
Het geweld waarmee Heidi zich tussen mij en de toog stort, brengt me even van mijn stuk. Met een hand tegen mijn borst en een hand op de toog roept ze naar de twee kelners die ineengedoken tegen de espressomachine op hun telefoons tikken: “Caballeros, darle su café como lo quiere es una opción real hem zijn koffie geven zoals hij dat wil is een reële optie y antes de que llega la Guardia Civil este café es una ruina en voordat de Guardia Civil hier is, is dit café een ruïne!” waarop ze mij aankijkt en zegt: “Je kalmeert nu, oké?”
“Ik ben kalm en uh… het is llegue en será.”
“Wat!”
“Het is onzeker of de Guardia Civil komt, dus gebruik je de subjuntivo: llegue la Guardia Civil, niet llega. En voor wat die ruïne betreft, gebruik je de futuro: será una ruina, niet es una ruina.”
“Prachtig. Maar waar ging dit nu weer over?”
“Niks. Ik bestel voor jou café con leche caliente en voor mezelf café solo medio largo, café solo die iets langer doorloopt en die …” “Ik weet wat café solo medio largo is,” valt Heidi me in de rede, “maar …” gegil achter ons. Boris de kleine terriër maakt van onze onoplettendheid gebruik door een voor een alle cafébezoekers te begroeten en hij is op een vrouw gestuit die oog in oog met twee kilo kwispelende hond in doodsangst lijkt te verkeren. Heidi pakt Boris van de grond, stapt weer in mijn richting en zegt: “Het is halftien ’s morgens. Tumult om koffie. Dat belooft wat.”
Ik wijs naar een theemok op de toog en zeg: “Daar staat mijn café solo medio largo.”
Heidi pakt de mok op, kijkt naar de halve centimeter koffie op de bodem ervan en zegt: “Rare manier om koffie te serveren.”
“Ik kreeg die theepot met heet water erbij om de koffie aan te lengen.”
“Hm… maar ik geloof dat je nog steeds niet in de gaten hebt wat er gebeurt als je boos wordt. Je lijkt Bokito wel. Het halve café filmt ons nu. Neem Boris van me over en ga zitten.”
Met Boris op schoot ga ik aan het tafeltje zitten waarvan Heidi zojuist opstond en ik zie dat een kelner de koffie uit de theemok in een kopje giet. Ik zie Heidi haar hoofd schudden, zie de kelner een gebaar maken dat me niet zint, kom overeind, zie de kelner zich verschrikt naar de espressomachine omdraaien en ga weer zitten. Man, wat een gedoe. Net voordat we hier belandden, beet een kelner ons in een venta, een herberg, toe dat honden niet zijn toegestaan waar ook eten wordt geserveerd. Nadat ik hem had uitgelegd dat hij uit zijn nek kletste, jammerde hij iets over allergische mensen en voordat een en ander escaleerde, trok Heidi me aan mijn mouw die venta uit en reden we verder tot we dit café vonden. En al dat gedoe is mijn schuld.
Heidi en ik zetten als we onderweg zijn liever zelf ergens thee en koffie dan dat we venta’s of cafés bezoeken. Vorige week stopte ik onze koffiefilter zo onhandig in mijn rugzak dat het ding kapot weer tevoorschijn kwam. Nergens vind ik een nieuwe rvs koffiefilter en … “Café solo medio largo,” onderbreekt Heidi mijn gedachten terwijl ze een café solo medio largo op tafel zet en daarnaast haar café con leche.
Nukkig drink ik mijn koffie en ik denk aan het pand waarop Heidi en ik onze zinnen hadden gezet in Montelobado, het dorp waar we twee maanden geleden neerstreken en vanwaaruit we vanmorgen vertrokken. Twee verdiepingen, een café op de begane grond. In mijn gedachten had ik dat café al verbouwd tot venta uit de jaren 50, maar het pand ging aan ons voorbij en een vriend die me gisteren belde, merkte op dat dat wel zo goed is omdat ik anders mijn dagen weer zou vullen met het op straat knikkeren van gasten, doelend op het hotel-restaurant dat Heidi en ik ooit kochten in Duitsland.
Met botsende culturen had ik destijds geen rekening gehouden en waar ik al helemaal geen rekening mee had gehouden, was dat de Duitse cultuur de maatschappelijke status van een waard gelijk stelt aan die van oud vuil. Hoge integratieogen gooide ik niet en mijn gedachten dwalen naar herr Salzman, onze eerste gast die mijn neus op de culturele feiten drukte. Ingecheckt om vijf uur meldde hij zich om zes uur in ons restaurant, waar hij, toen ik frau Salzman en hem beleefd vroeg of ze sich entschieden hadden, zichtbaar ontstemd opkeek uit de menukaart. Zowel frau als herr Salzman hadden sich entschieden voor zalm, maar dat er naast de salade die we standaard bij elk gerecht serveerden slechts keuze was uit patat of gebakken aardappelen was volgens herr Salzman zo zot dat hij dreigde contact op te nemen met het televisieprogramma Rach, der restauranttester. Glimlachend naar frau Salzman, ervan overtuigd dat ik in Heidi’s keuken een pak rijst zou vinden, merkte ik beleefd op: “Vielleicht wäre Reis eine Idee.”
“Wunderbar,” gingen de Salzmannen akkoord. Maar toen ik later twee leeggegeten borden uitruimde en beleefd vroeg: “Hat es Ihnen gefallen?” ontstak herr Salzman in toorn. Zalm met rijst was een idiote combinatie, riep hij luid en mevrouw Salzman gilde harder dan de vrouw die zich zojuist door Boris doodsangst liet aanjagen nadat herr Salzman in het bloemperk voor ons terras was beland en ik op haar af liep om haar te laten weten dat de hotelkamer kosteloos was geannuleerd en dat ze vijf minuten had haar en haar mans spullen te pakken en ons hotel te verlaten.
De meeste dagen die sindsdien verstreken, sprak ik ten minste één keer de woorden Ihr Zimmer wurde kostenlos storniert, kort waarvoor of waarna ten minste één Duitser in het bloemperk voor ons terras belandde. En omdat de meeste Duitsers die in dat bloemperk belandden van sportiviteit gespeend waren—wie klop krijgt van een kabouter en met de schrik wegkomt, hoort daarom te lachen—bezocht die Polizei ons met zoveel regelmaat dat Heidi en ik ons hotel verkochten, Duitsland achter ons lieten en … “Ik heb het gevoel dat je iets dwarszit,” onderbreekt Heidi opnieuw mijn gedachten.
“Huh…?”
“Nik, je greep een kwartier geleden in die venta een kelner bij zijn kladden en nu …?”
“Mooi verhaal is dat,” bries ik. “Nadat ik die theemok kreeg—en jij hier met Boris zat te spelen—bestelde ik heel vriendelijk nóg een café solo medio largo met de vraag of die in een kopje voor café solo kon worden geserveerd. Dat was het moment dat die kelners een rel trapten, niet ik. En wat is er mis met jouw koffie?”
“Koude melk. Je zei dat je café con leche caliente had besteld.”
De twee agenten in de 4x4 van de Guardia Civil die ons net voor Salamanca passeert, tonen geen interesse in ons. Dat lucht Heidi op, want de kelners van het café dat we zojuist verlieten, baristas conform het borduursel op hun schorten, schreeuwden opnieuw: “Guardia Civil, Guardia Civil,” toen ik weigerde Heidi’s koffie te betalen.
Net na tien uur loodst de tomtom ons in Salamanca een parkeergarage binnen. Heidi wandelt met Boris een park in en ik stap met de map papieren die Heidi voor me printte een kantoor binnen van Trafico, de Spaanse RDW, waar een beveiliger me helpt zóveel informatie over mezelf in een beeldscherm te tikken dat de manshoge machine waarvan het beeldscherm onderdeel is een volgnummer voor me op een bonnetje print. De geprinte bevestiging van de cita previa, de afspraak, die ik om halfelf heb, legt geen gewicht in de schaal en als om tien over halftwaalf mijn volgnummer op een televisiescherm verschijnt, meld ik me aan balie E, waar ik na de derde vriendelijke poging de uitgebluste vijftiger tegenover me zijn werk te laten doen, vermoed dat ik in Bokito ben veranderd. Vriend Boterletter schiet op zijn stoel op wieltjes achteruit en met een agiliteit die me van mijn stuk brengt, komt een superobese vrouw vanachter haar bureau overeind. Ze stapt in onze richting, leunt met een hand op het bureau van haar ontstelde collega, gebaart me terug in mijn stoel, gebaart de beveiliger zijn knuppel weer in de ring aan zijn riem te steken en vraagt beleefd hoe ze me kan helpen. Vijf minuten later vind ik Heidi en Boris in het park tegenover het kantoor van Trafico en vraagt Heidi: “Gelukt?”
“Half gelukt. Onze Kangoo is nooit afgemeld. Daarom kregen we dat bericht over achterstallige wegenbelasting. We kunnen niet bewijzen dat we het certificaat van destructie destijds hebben gefaxt en dus is die auto pas vandaag officieel afgemeld.”
“Wat betekent,” vult Heidi aan, “dat we voor zeven jaar wegenbelasting worden aangeslagen.”
“Waarschijnlijk. Maar omdat we het certificaat van destructie nog hebben, kunnen we protest aantekenen bij de Traficoafdeling van de gemeente waar we destijds woonden en dat is Torre del Mar, in Andalusië.”
Net op het moment dat ik Heidi wil vertellen dat ze de tomtom verkeerd heeft ingesteld—we rijden naar het zuiden, niet naar het westen—loodst de tomtom ons het parkeerterrein voor Salamanca's Mediamarkt binnen. Heidi springt uit de auto en als ze terugkomt, staar ik verbaasd naar de kleine rvs mokkapot die ze in mijn handen duwt.
“Geen Bialetti,” zegt ze, “maar voor tien euro kunnen we niet zonder zitten. Blij?”
“Superblij,” antwoord ik superblij.
Rond drie uur rijden we Portugal binnen. Koffiezetten is nog steeds geen optie—onze gasbrander bleef in Montelobado achter—en dus melden we ons al anderhalf uur later, net voorbij de stad Guarda, aan de poort van Quinta da Portela, een biodynamische boerderij van twee Nederlanders, die op die boerderij kamers en een huisje verhuren. Op de oprijlaan loopt onze vriend Jan Boesten ons lachend tegemoet.
Heidi en ik accepteerden de opdracht voor het maken van een korte film over wat een buitenlander beweegt zich in Montelobado te vestigen. Onze opdrachtgever ging akkoord met ons script en net toen we ons realiseerden dat we waar het op filmen aankomt nog wat twijfelen, liet Jan, een heuse filmmaker, ons weten dat hij een paar weken op Quinta da Portela verbleef.
Na een rondleiding langs de akkers en moestuinen van Quinta da Portela nestelen Heidi, Jan en ik ons voor het vuur in een haard. Jan praat over zijn passie, filmmaken, wij leren. We slapen goed en maken de volgende dag een korte rit met Jan naar de top van de Serra da Estrela, de hoogste berg van Portugal. 14 Oktober 2025. Prachtig weer. Jan mediteert op een eenzaam rotsblok, Boris jaagt konijnen doodsangst aan en Heidi en ik bezoeken de paar winkeltjes op de top van de Serra da Estrala.
Die middag rijden we via binnenwegen terug naar Spanje en terwijl we steggelen over hoe we wat we van Jan leerden in onze film verwerken, voel ik me plotseling nerveus. Almeida las een plaatsnaambord langs de weg. Almeida, weet ik, is een goed bewaarde stervesting. Napoleons maarschalk Masséna belegerde Almeida toen hij in 1810 oprukte naar Lissabon. Boris merkt mijn nervositeit op. Hij piept zacht en ik zeg tegen Heidi: “Ik denk dat Boris moet plassen.”
“En ik denk,” antwoordt Heidi, “dat jullie komedianten zijn. Monumento histórico lees ik net op een bord. Jij gedraagt je ineens als een kind op sinterklaasavond en Boris begint te piepen. We kunnen hier even stoppen, maar ik wil om zeven uur thuis zijn en we hebben nog anderhalf uur te gaan.”
Als we via twee poorten de vesting binnenwandelen, besef ik dat we hier een dag nodig hebben. Ik wil het kasteel zien—of wat daarvan over is—wil rond de vestingwallen dwalen, wil het museum bezoeken en beland in plaats daarvan met Boris op een stenen bank op een plein terwijl Heidi op zoek gaat naar een slager. Hoe ik ook mijn best doe, het lukt me niet in 1810 te belanden en als de Russische schrijver Dostojewski in mijn oor fluistert: “Beschermen vestingmuren je of sluiten ze je op?” besef ik dat Heidi gisteren misschien terecht vroeg of me iets dwarszit. Als dan Dostojewski’s Grootinquisiteur uit De broers Karamazov in mijn andere oor fluistert: “Laat me je twijfel wegnemen. Ik geef je zekerheid. Laat me je beschermen tegen de ondraaglijke last van vrijheid,” weet ik wát me dwarszit.
Van café solo medio largo tot vrijheid, de waarde van veel begrippen devalueert en inwendig grinnikend bedenk ik dat Dostojewski zich ondanks zijn jaren dwangarbeid in Siberië tranen zou lachen als hij zou zien wat we in het derde millennium vrijheid noemen, een gedachte die me niet, musket in de hand, in de hand in 1810 doet belanden, maar achter mijn computer in 2035 terwijl ik op Google Maps probeer onze huidige reis te plannen. Nadat ik Montelobado heb getypt als vertrekpunt en daarna Quinta da Portela, Guarda als bestemming opent naast de landkaart in mijn beeldscherm een dialoogvenster. Helaas, lees ik, heb je niet voldoende reiskrediet voor deze reis. Ik kan kijken of er een kortere route is. Wil je dat ik dat doe?
Graag, typ ik.
Helaas is er geen kortere route. Op 1 november ontvang je nieuw reiskrediet. Wil je dat ik je auto op 1 november vrijgeef voor de reis die je wilt maken?
Een paar jaar geleden—en ik betrap mezelf erop dat ik mijn hoofd schud—was ik een complotdenker omdat ik waarschuwde voor de invoering van digitaal geld. Al in 2027 introduceert de EU dat digitale geld bij wijze van test in een aantal landen om het rond 2030 in heel Europa te kunnen introduceren. Geen verontschuldiging van de mensen die me een complotdenker noemden en uh... misschien hebben die mensen gelijk. Ik ben immers nog steeds een complotdenker, nu omdat ik niet geloof dat digitaal geld iets prachtigs is dat ons leven nóg veiliger zal maken en ons nóg meer vrijheid zal geven ...
En natuurlijk bedenkt alleen een complotdenker dat auto’s in 2035 pas starten als een digitale entiteit daar toestemming voor geeft. Opnieuw inwendig grinnikend verander ik in een knaap van twintig in 2040, ervan overtuigd meer vrijheid te genieten dan mensen ooit genoten omdat alles wat ik nodig heb in vijftien minuten bereikbaar is en omdat Google Maps de Tesla die ik huur elke maand weer vrijgeeft voor tweehonderd kilometers waarmee ik mag reizen waarheen ik maar wil.
“Laat me je beschermen tegen de ondraaglijke last van vrijheid en ...” een verblindende flits, een oorverdovende explosie, een allesverwoestende drukgolf. Gebouwen—zelfs het eeuwenoude kasteel van Almeida—storten in. Eindelijk ben ik in 1810.
Het beleg van Almeida was van korte duur. Een Franse granaat raakte het kruitmagazijn. Honderden slachtoffers onder de burgers en de Portugese en Engelse verdedigers in Almeida. De verdedigers gaven zich over en maarschalk Masséna trok verder met zijn legers om zich zo’n vijftig kilometer ten noorden van Lissabon, bij Torres Vedras, stuk te lopen op de verdedigingslinies die de Engelse hertog Wellington daar haastig had laten opwerpen.
Hoe veilig de vestingwallen waarachter we ons verschuilen ook lijken te zijn, niemand is veilig als te veel mensen, zoals Dostojewski mijns inziens terecht suggereert, bang zijn voor vrijheid—omdat het verantwoordelijkheid, morele keuzes en onzekerheid impliceert—en zich liever overgeven aan vermeende veiligheid en gezag—al is het het gezag van iemand die zich barista noemt—en … Boris kwispelt. Ik volg zijn blik en zie Heidi in onze richting lopen, een kartonnen bekertje in haar hand.
“Geen slager,” zegt ze, “maar wel voor zeventig cent een café solo medio largo, hoewel dat hier anders heet.”
“Goede koffie,” mompel ik nadat ik een slok heb genomen.
“Gelukkig maar,” zegt Heidi lachend. “Dat houdt de Guardia Civil op afstand, of hoe dat hier ook heet. We zouden hier zelfs een keer terug kunnen komen.”
“Oh, ik zou hier graag een keer terugkomen! Als we maar niet vergeten dat het beter is verkeerd te lopen op ons pad dan goed op dat van iemand anders.”
“Huh…?”
“Dostojewski.”
“Natuurlijk …”
Het boek Onbevlekte perceptie is verkrijgbaar! Klik hier voor meer informatie



