De onsterfelijke Hulk Hogan …
- Nikko Norte

- 2 uur geleden
- 11 minuten om te lezen
Ondanks de angst die me in zijn greep heeft, grinnik ik inwendig als ik besef dat die angst me er slechts op wijst dat het avontuur dat leven heet hier en nu kan eindigen. Een val van twaalf, dertien meter, de paar woorden die ik er voor Heidi uitpers, een lik van Boris in mijn gezicht, een zucht en het oneindige niets, een werkelijkheid, dat laatste, die ik alleen kan uitstellen als ik mijn angst voor me laat werken, me er niet door laat verlammen.
Deze klim leek zo eenvoudig, maar ik heb de overhang vlak boven me onderschat. Daarnaast belemmert mijn rugzak mijn bewegingen. Lang ga ik het in deze houding, mijn rug naar de rotsen, niet volhouden en ik moet erop vertrouwen dat ik van de grond goed heb gezien dat ik boven de overhang—nu buiten mijn zicht—voldoende grip vind. Heel even laat mijn angst zich overvleugelen door verbazing als ik besef dat ik opnieuw inwendig grinnik—wat hysterisch misschien—omdat ik denk aan de directeur van Reebok Nederland, die ik ooit met zijn personeel meenam naar de Duitse Eifel voor een weekend ontspannen avontuur.
Rotsklimmen maakte deel uit van het programma en omdat ik er geen vertrouwen in had dat de wachtende en aanmoedigingen roepende Reebokkers tegen de rotsen weg zouden duiken als een klimmende Reebokker een steentje lostrapte en conform mijn instructies “Steen!” riep, droegen die wachtende Reebokkers een bouwhelm. Het was een warme dag. De directeur van Reebok Nederland, die naast me stond terwijl ik een vertegenwoordiger zekerde op haar weg omhoog, complimenteerde me met de organisatie van het weekend. Hij deed zijn bouwhelm af om wat zweet van zijn voorhoofd te vegen toen net voordat we iemand “Steen!” hoorden roepen een steentje afketste op zijn kale hoofd. Beetje bloed, keine panik, zwaluwstaart, verbandgaasje en … “Alles oké?” roept Heidi van de grond.
“Geen paniek!” roep ik terug.
Mijn linkerbeen trilt. Mijn rechterhand, waarmee ik me boven mijn hoofd tegen een uitstulping in de overhang uit de diepte duw, raakt gevoelloos en ik hoor mezelf denken: “Twintig keer twaalf is tweehonderdveertig. De wortel uit tweehonderdveertig is iets meer dan vijftien. Vijftien keer zestig is negenhonderd, is meer dan vijftig kilometer per uur,” waarop ik Sophocles hoor fluisteren dat het lot kleinmoedigen zelden gunstig is gezind. Ik strek mijn benen, voel mijn lichaam zich om zijn lengteas draaien, zie Heidi niet langer in de diepte maar zie heel even de blauwe lucht en zie dan, terwijl mijn lichaam hoekt als dat van een schoonspringer, de bovenkant van de overhang waarop als in een vertraagde opname mijn armen landen. Ik zie mijn handen over ruwe rots glijden en zie hoe de vingers van mijn linkerhand om een richel klauwen.
Mijn rechterhand grijpt in een kommetje en mijn benen bungelend in het niets trek en trappel ik mezelf omhoog tot ik een knie op de rand van de overhang kan zetten. Het uh… het verdient geen schoonheidsprijs, maar ik voel me gelukkig nu ik niet langer Victor Hugo’s man op een rots ben en ik klik een karabiner die ik van mijn klimgordel pak door de roestige ring aan een roestige pin in de rotsen boven de overhang. Aan de karabiner klik ik de korte slinger die aan de zekeringslus van mijn klimgordel vastzit en ik laat me zakken tot de slinger strak staat en ik in de klimgordel zit, dertien, veertien meter hoog tegen een flank van La peña gorda, een veertig meter hoge inselrots in het Spaanse natuurgebied Arribes del Duero.
Heidi en ik accepteerden de opdracht een korte film, een cortometraje, te maken over waarom Arribes del Duero—waar Heidi en ik inmiddels alweer twee maanden wonen—aantrekkelijk is voor een buitenlander. Ergens in die cortometraje daal ik af van een rots en om dat te kunnen filmen, moest ik die rots, La peña gorda, eerst deels beklimmen.
Sportklimmers—om het makkelijker te maken elkaar te zekeren—monteerden lang geleden pinnen met ringen in de beklimbare delen van La peña gorda en ik was blij dat ik kort nadat we hier arriveerden de pin spotte waaraan ik nu hang. Ik had Heidi kunnen vragen me te zekeren op mijn weg omhoog, maar … “Kun je je touw naar beneden gooien,” roept Heidi, “dan weet ik waar ik de camera’s op moet stellen.”
“Eén minuut,” roep ik terug en ik worstel mijn rugzak van mijn rug naar tussen mijn benen en haal de lijn eruit die ik bij me heb. Langs de karabiner friemel ik een uiteinde van de lijn door de ring aan de pin waaraan ik hang en ik trek de helft van de lijn erdoor. Ik knoop de twee uiteinden van de lijn aan elkaar, schiet hem een paar meter op, roep: “Pas op,” en gooi de bundel lijn die ik nu in mijn hand heb naar beneden. Terwijl Boris de kleine terriër geschrokken wegstuift, trekt Heidi de twee lijnhelften naar zich toe tot beide helften strak staan en staar ik over het steppeachtige landschap dat me omringt.
September 2025. Net na zonsopkomst sleepte ik een kano de rivier de Duero in. De mist in de kloof waardoor de Duero stroomt, leek garant te staan voor wat mooie opnames—ergens in onze cortometraje vaar ik in een kano—en de tijd die Heidi nodig had om op een strandje haar camera’s op te stellen, gebruikte ik om naar het midden van de Duero te peddelen. Nadat Heidi had geroepen dat de camera’s draaiden, peddelde ik op haar af.
“Nog een keer!” riep Heidi en ik peddelde terug naar het midden van de Duero, waar me opviel dat mijn rare opzitkano te log bewoog en ik me herinnerde dat de man van wie we de kano leenden, had gewaarschuwd dat we voor het varen een plug in het ding moesten proppen.
Terwijl de gasbrander snorde onder de mokkapot die ik een paar weken geleden van Heidi kreeg en Heidi probeerde haar lachen in te houden en de kano optilde om het laatste water eruit te laten stromen, trok ik rillend mijn natte kleren uit en de kleren aan die ik zou dragen tijdens mijn afdaling. De kano achter in onze Berlingo hing Boris als Superman uit Heidi’s raam tijdens de rit naar La peña gorda. Heidi dronk rooibos uit haar Stanleythermos. Ik dronk de koffie uit de mokkapot en … “Nog een minuut,” roept Heidi en ik denk aan de vertaling van Machiavelli’s Il principe die ik las bij een kampvuur tijdens die reis naar de Duitse Eifel met het personeel van Reebok Nederland. Volgens Machiavelli, las ik, is het beter onstuimig te zijn dan voorzichtig en hij leek daarmee te bevestigen dat ik er goed aan deed de weekends dat ik niet met het personeel van een bedrijf naar de Duitse Eifel reisde naar het Belgische dorp Marche-les-Dames te reizen, waar ik onstuimig soloklom op de rotsen aan de oever van de Maas.
Man, ik genoot van de angst die me ondanks het gemak waarmee de rotsen in Marche-les-Dames zich lieten beklimmen al een paar meter boven de grond in zijn greep had. Waar ik minder van genoot, was de woede die mijn soloklimmen wakker riep in andere klimmers, die, elkaar zekerend, in tweetallen klommen. Het was dezelfde woede waarmee mensen me recentelijk het woord helm toeroepen als ik fiets en van die woede begreep en begrijp ik niets. Misschien is het de gedachte dat ik het recht niet heb in een ziekenhuis te belanden als dat is te voorkomen, hoewel het in dat geval logischer is woedend te zijn voor de deur van een McDonald’s-filiaal. Maar, toegegeven, mijn soloklimmen destijds leidde weldegelijk tot een behandeling in een ziekenhuis.
Uitgeklommen, voldaan en moe stapte ik op een avond een café in Marche-les-Dames binnen. Nog voordat ik het vriendelijke “Bonsoir” van de barman had kunnen beantwoorden, vloog een van de klimmers die me die middag hadden uitgescholden me aan. Ik stapte uit zijn baan en lichtte hem pootje en toen twee van zijn vrienden zich in de strijd stortten, hoorde ik Machiavelli fluisteren dat het beter is gevreesd te zijn dan geliefd als het onmogelijk is beide te zijn. Ik uh… ik was het eens met Machiavelli maar had er geen rekening mee gehouden dat de asbak zou breken waarmee ik net voordat we de barman “Arrêt!” hoorden roepen een van die twee vrienden op zijn kale hoofd sloeg. Straaltje bloed dekte de lading niet, plein de panique, ambulance, ziekenhuis.
Echte soloklimmers, zoals Honnold, Potter, Destivelle, Robert, Harrington en Davis—gemeten naar de beroering die ze oproepen bij hun publiek—zijn kunstenaars en nu ik aan kunstenaars denk, denk ik aan de onlangs overleden Terry Bollea. Ik begrijp niets van showworstelen, maar Bollea, de man die het worstelfenomeen Hulk Hogan creëerde, was een van de grootste kunstenaars aller tijden, iets wat ik niet langer hardop uitspreek omdat ik de paar keer dat ik dat wel deed meer woede wakker riep dan ik wakker roep als ik fiets.
Starend over het steppeachtige landschap dat me omringt, realiseer ik me hoeveel schade we ons hebben toegebracht door ons te laten aanleren dat kunst een technocratische aangelegenheid is. Experts—die zolang ze de juiste diploma’s hebben niet noodzakelijkerwijze experts hoeven te zijn—maken en beoordelen kunst, waar nog eens bijkomt dat onze tolerantie—waarvan ons is aangeleerd dat het een deugd is—inmiddels zover gaat dat we ermee instemmen dat wie haar of zijn handvaardigheid of vrije expressie kunst noemt een kunstenaar is.
Wat kunst is en wat niet is complex, maar tot voor kort had niemand hulp van een expert nodig om in te zien dat niet alles wat beroert kunst is. Helaas zien experts niet in dat wat níet beroert met zekerheid géén kunst is. Mona Lisa of Hulk Hogan? Ondanks dat ik niets begrijp van showworstelen is de keuze eenvoudig gemaakt.
“Maar Da Vinci was een groot kunstenaar!” roert een woedende stem zich in mijn gedachten. “Hij probeerde het schilderen tot de artes liberales te verheffen! Juist zijn Mona Lisa getuigt van technische perfectie en psychologisch inzicht! Hij noemde schilderen nota bene una cosa mentale!”
Da Vinci was een ambachtsman. Wat hij creëerde, was mooi, is nog steeds bijzonder en er is mogelijk van alles in te ontdekken, maar meer dan woede roept zijn werk niet op, en dan alleen als ik opmerk dat het ons is aangeleerd dat zijn werk kunst is. En wat, nondeju, in het derde millennium is niet aangeleerd? Democratie, de Westerse vrije pers, rechtsspraak, gezondheidszorg en leerplicht. Prachtig! Maar is het werkelijk prachtig of is ons aangeleerd dat het prachtig is?
Ben ik slim omdat ik de formule ken waarmee ik kan berekenen met welke snelheid ik de grond raak als de pin afbreekt waaraan ik hang en ben ik dom omdat ik aan een pin hang die af kan breken? Ik uh… ik denk dat het omgekeerde waar is en denk dat als Galilei en Newton werkelijk slim waren geweest ze de wereld onwetend hadden gehouden van hun ontdekkingen—zoals Da Vinci dat ten minste probeerde—en … “Wat een onzin,” roert zich weer die woedende stem. “Zonder Galilei en Newton had onze vooruitgang nog eeuwen stilgestaan.”
“Oh man,” hoor ik mezelf denken. “Vooruitgang heeft nooit stilgestaan en wat ons is aangeleerd dat vooruitgang is, is in werkelijkheid vaak het tegengestelde ervan,” en ik herinner me hoe Freek de Jonge ooit grapte: “Is een atoom splitsbaar is een onschuldige vraag. Het antwoord deugt niet,” wat me … “De camera’s draaien,” onderbreekt Heidi het plotselinge tumult in mijn hoofd.
Ik worstel mijn rugzak op mijn rug en bevestig een afdaalacht aan de twee lijnhelften en aan de zekeringslus van mijn klimgordel. Ik ontlast de bandslinger, klik de karabiner uit de ring aan de pin in de rotswand, daal af en als ik Sophocles hoor fluisteren dat geluk onmogelijk is als wijsheid ontbreekt, bedenk ik dat wijsheid in het derde millennium begint bij het identificeren van wat ons is aangeleerd en wat niet.
Boris springt tegen me op als mijn voeten de grond raken en Heidi zegt: “Het staat erop en je mokkapot staat al op de brander.”
Een halfuur later fiets ik op een zandpad achter onze Berlingo. Naast de kano, die uit een open achterdeur steekt, monteerde Heidi op de gesloten achterdeur een camera. Terwijl ik in die camera kijk en tegelijkertijd een oogje op het zandpad houd om niet in een kuil te rijden en misschien wel een sleutelbeen of pols te breken, herhaal ik opnieuw en opnieuw—microfoontje op mijn borst—de tekst die ik gisteravond uit mijn hoofd leerde. Weer een halfuur later zit ik in de hal van ons huis in het dorp Montelobado aan de campingtafel die me tot bureau dient en als Boris een poot tegen mijn bovenbeen duwt, realiseer ik me dat ik ruim twee uur in mijn werk verzonken ben geweest. Boris zit naast me op de grond. Ik kijk hem aan en vraag: “Wil je buitenspelen?”
“Waf!”
“Gaat Heidi mee?”
Trippel, trippel …
“Wil je buitenspelen?” hoor ik Heidi in de woonkamer vragen.
“Waf!”
“Vraag maar of Nik je riem omdoet.”
Trippel, trippel …
Het is ons niet gelukt Boris aan te leren dat hij me zijn riem geeft. Hij zoekt die riem op als we het woord riem laten vallen en gaat ermee te keer alsof het een prooi is. Die riem bij hem omdoen, is een toestand, maar evengoed struinen we al snel op zandpaden tussen met stenen muurtjes afgebakende weilanden waarvan de zomerzon het gras geel heeft gekleurd. Enorme koeien links, rechts en overal en als Montelobado na anderhalf uur weer in zicht komt, roept Heidi uit: “Boris is weg!”
Terugrennend zie ik achter een glooiing in een weiland een stofwolk en ik weet dat ik Boris heb gevonden. Ik klim over een stenen muurtje en draaf het weiland in tot ik een kudde schapen op me af zie denderen, Boris op hun hielen. De kudde wijzigt koers en dendert door een hek in het muurtje waarover ik net klom. De schreeuw die ik geef, maakt indruk op Boris. Trots kwispelend laat hij zich buiten adem in het dorre gras vallen. Ik pak het diertje op en loop door het hek dat nu wijd open staat naar Heidi, die in neerdalend stof staat en verbouwereerd zegt: “Heeft Boris zojuist tweehonderd schapen het dorp in gejaagd?”
“Eerder driehonderd,” breng ik uit voordat ik het uitproest omdat ik in mijn gedachten overal in Montelobado schapen huizen in en uit zie lopen. Het duurt niet lang tot we allebei de slappe lach hebben en het om de beurt uitproestend ontdekken we dat in het in siësta gedompelde Montelobado geen schaap is te vinden.
Eenmaal thuis rinkelt mijn telefoon. Ik vind het ding op tijd om op te nemen en de boer die me belt, die me regelmatig vraagt hem te helpen met het verplaatsen of bijvoeren van zijn koeien en schapen, vraagt me of ik weet waarom zijn schapen op stal staan.
“Cómo lo sé yo hoe kan ik dat weten?” antwoord ik opgelucht.
“Alleen jullie wandelen op het heetst van de dag en jullie kleine hond tiene más peligro que una piraña en un bidé is gevaarlijker dan een piranha in een bidet.”
Het koelt alweer af als ik na weer een paar uur werk aan het begin van de avond mijn fiets uit de Berlingo til. Net voordat ik opstap, kuiert een groep dorpelingen voor me langs en in reactie op mijn “Buenas tardes” vragen drie mensen uit de groep als één man: “Por qué no llevas casco?”
“Now let me tell you something, brother!” hoor ik Hulk Hogan in mijn gedachten bulderen, maar ik vraag beleefd: “Waarom zou ik een helm dragen?”
“Porque te multarán omdat je bekeurd kunt worden.”
“Een helm uit angst voor una multa!” roep ik uit. “Ese es el espíritu dat is de spirit! Viva Maquiavelo!”
Achter de ondergaande zon aan fiets ik Montelobado uit en ik denk aan hoe onderwijzers of Oprah Winfrey—afhankelijk van onze leeftijd—ons alweer even aanleren dat we niet alleen alles kunnen hebben en bereiken wat we willen maar ook alles kunnen zijn en inwendig grinnikend vraag ik me af waarom droeftoeter-zijn zo populair is. Vrijwel alles wat we vandaag de dag zijn, is aangeleerd en als ik me afvraag hoe dat mogelijk is, hoor ik Sophocles fluisteren dat waar we niet naar zoeken onopgemerkt blijft ...
Willen, bedenk ik, ís belangrijk. Maar voor we iets willen hebben, bereiken of zijn—en gesteld dat het ons lukt te identificeren wat ons is aangeleerd en wat niet—is het misschien handig te onderzoeken wat van wat ons is aangeleerd waanzin is en wat niet. Er is misschien iets voor te zeggen niet te eten met onze ellebogen op tafel, maar het gaat mis als we accepteren dat angst noch twijfel een plek hebben in het avontuur dat leven heet, dat tolerantie een deugd is en agressie een zonde, dat onderwijzers en Oprah Winfrey weten waar ze het over hebben en dat het oké is dat het woede in ons wakker roept als iemand ons een spiegel voorhoudt waarin we een belachelijk beeld weerkaatst zien …
Meer lezen? Neem een kijkje in de webshop.



