Tussen ravijn en rede …
- Nikko Norte

- 6 jun 2025
- 10 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 17 jan
Glurend langs de rotswand voor me, zie ik Heidi, ver onder me, terugwandelen naar onze Berlingo. Als ik opkijk, zie ik gieren cirkelen boven een berggeit die op me neerkijkt.
Terwijl ik gisteren, even niet in staat me op mijn werk te concentreren, op mijn computer wat rommelde op Google Maps stuitte ik in de buurt van onze grotwoning in het Spaanse Antequera op een symbooltje met daarnaast de woorden via ferrata, Italiaans voor klettersteig, wat, losjes vertaald uit het Duits, pret betekent. De foto’s die in een van mijn beeldschermen verschenen toen ik op het symbooltje klikte, overtuigden me ervan dat ik de start van die klettersteig makkelijk zou vinden. Heidi zag geen brood in het klimmen van een onbekende klettersteig maar stelde voor me ernaartoe te rijden.
In het geheel niet meer in staat me op mijn werk te concentreren, graaide ik onder ons bed naar de tas met onze klimspullen, waarin ik snel mijn klimgordel en klettersteigset vond. Verder graaiend in die tas herinnerde ik me dat we de gele bandslinger die ik zocht, weggooiden nadat we hem gebruikten om de achterdeuren van onze te volgeladen Berlingo halfgesloten te houden tijdens onze verhuizing naar Antequera, tweeënhalve maand geleden. Na een lange rit vanuit Catalonië—waar we voor Antequera woonden—bleek de bandslinger te ver te zijn doorgesleten om er nog mee te kunnen klimmen. In plaats van die bandslinger klikte ik vier setjes van twee paarse karabiners aan mijn klimgordel, tussen elke twee karabiners twintig centimeter bandslinger. Aan elkaar geklikt zijn drie van die setjes net zo lang als mijn gele bandslinger.
Een spinaziesalade met kalkoen maakte Heidi terwijl ik terug achter mijn beeldschermen op de keukentafel—kleine grotwoning—verder speurde naar veranderingen in de Engelse vertaling van De holbewonercode. Braaf markeerde ik tijdens het redigeren van die Engelse vertaling wat ik veranderde in de tekst om dat over te kunnen nemen in de herziene Nederlandse versie van het boek. Al snel vergat ik dat markeren en nu moet ik regel voor regel … laat ook maar.
Op de bank in de woonkamer, borden op schoot, aten we Heidi’s salade terwijl we op Netflix een stukje van de film Dunkirk keken. Een volle maan begeleidde ons toen we na het eten een wandeling maakten door de wildernis ten oosten van Antequera, die al zo’n vijfhonderd meter van ons huis begint. Omhoog en omlaag ging het op paden tussen heuphoog struikgewas en telkens weer dwaalden mijn gedachten naar het stuk land in de wildernis in de buurt van het dorp Coín—zo’n vijftig kilometer ten zuiden van Antequera—waar ik ooit woonde. Op dat land had ik twee hindernisbanen gebouwd en man, niets mooiers dan over die hindernisbanen rennen bij volle maan! De dichtstbijzijnde bewoning kilometers bij me vandaan. Nergens artificieel licht. De grillige vormen van de honderden olijfbomen waartussen ik rende, klom, kroop en slingerde …
Als ik—uitgerend, -geklommen, -gekropen en -geslingerd—niet op een platform in een hindernis een plekje vond boven de olijfbomen en onder de sterren om te genieten van de geluiden van de nacht stak ik buitenadem via een hangbrug een doorgaans droogstaande beek over naar een piepklein privécafé dat ik had gebouwd, een gezellige vuurplaats op het terras ervoor. Een vuur brandde snel en starend in de vlammen—zoveel beter dan Netflix—voelde ik me gelukkig.
Ook tijdens onze wandeling van gisteravond voelde ik me gelukkig. Misschien was het de volle maan. Misschien was het de wildernis waardoor we dwaalden. Misschien was het de gedachte aan de onbekende klettersteig die ik vandaag zou klimmen. Waarschijnlijker was het dat ik me gelukkig voelde omdat het vrijdagavond was en ik wist dat Heidi en ik twee dagen verlost zouden zijn van gesprekken met ambtenaren—die stilaan in tyrannen veranderen.
Twee keer eerder woonde ik in Andalusië—de laatste keer samen met Heidi. Acht keer migreerden Heidi en ik de afgelopen tien jaar tussen Europese landen. Natuurlijk was het soms lastig de administratieve puntjes op de i te zetten. In Antequera krijgen we de i’s niet bijeengesprokkeld, laat staan de puntjes erop. Nee, nee en nee is wat ambtenaren ons te verstaan geven vanachter plexiglasschermen op hun bureaus en frustratie hobbelt met ons mee tijdens onze tochten door Antequera’s straten, op jacht naar certificaten, zegeltjes, codes en vinkjes die uiteindelijk—daar gaan we vanuit—tot onze officiële erkenning in Antequera leiden.
Net voor elf uur waren we gisteravond thuis. Te nerveus om snel in slaap te vallen—Petzl op mijn hoofd om Heidi niet wakker te houden—las ik in bed Émile Zola’s L’Assommoir, onderdeel van een reeks boeken die Hachette in de jaren 70 uitgaf en die ik al jaren compleet probeer te verzamelen als we in Frankrijk zijn en op rommelmarkten stuiten. Vroeg was ik vanmorgen in de weer met het maken van ons ontbijt en met het zetten van rooibosthee en koffie. Terwijl we ontbeten, keken we nog een stukje Dunkirk en voordat de zon opkwam, waren we onderweg.
Zaterdag 19 oktober 2024. Het was minder makkelijk dan het had geleken de start van deze klettersteig te vinden. Nadat ik mijn klimgordel had aangetrokken, mijn klettersteigset aan de klimgordel had bevestigd en mijn rugzak over mijn schouders had gegooid, lieten we de auto achter waar het pad waarop we reden te smal was om verder te rijden. Een halfuur struinden we in de ochtendschemer door steil oplopend en lastig begaanbaar terrein naar een rotsformatie die ik dacht te herkennen van de foto’s die Google Maps me gisteren liet zien. Nog eens een halfuur schooierden we rond aan de voet van die rotsformatie tot Heidi in een spleet tussen de rotsen een verroeste staaldraad vond. Ik klikte de twee karabiners van mijn klettersteigset aan de staaldraad en kuste Heidi gedag.
Verrast door de paniek die me overviel, klom ik een paar meter in de spleet omhoog, ondertussen de karabiners over de punten klikkend waar de staaldraad aan de rotsen is bevestigd. Heidi maakte een paar foto’s terwijl achter haar de zon opkwam. Ze riep dat ik voorzichtig moet zijn en zocht haar weg terug naar de auto. Nog een paar meter omhoog in deze spleet en ik kan verder klimmen via het type trap dat typerend is voor klettersteigs en dat bestaat uit stukken draadeind in de vorm van een nietje die als, zeg, stapgrepen in de rotsen zijn verankerd. Naast die stapgrepen de staaldraad waaraan ik tot aan het einde van deze klettersteig blijf vastgeklikt.
Mijn voeten tegen de rotswand voor me, mijn rugzak tegen de rotswand achter me, voel ik me tot rust komen. Glurend langs de rotswand voor me, zie ik Heidi, ver onder me, terugwandelen naar onze Berlingo. Als ik opkijk, zie ik gieren cirkelen boven een berggeit die op me neerkijkt en ik grinnik inwendig als ik denk aan het gezegde: benader een geit niet van voren, een paard niet van achteren en een dwaas niet van welke kant dan ook. Maar het grinniken vergaat me als ik me realiseer hoe het deel van de mensheid dat van het leven iets probeert te maken—doorgaans zonder iemand daarbij op de tenen te trappen—steeds steviger door dwazen in een houdgreep wordt genomen en … nondeju! Maandag vervolgen we onze tochten door Antequera's straten om te praten met dwazen achter plexiglasschermen. Nu is de lucht fris, staat de zon net boven de horizon en heb ik trek in koffie. Alles wat ik nodig heb om koffie te zetten, zit in mijn rugzak en ik kan nu nog terug naar beneden klimmen, koffiezetten en -drinken, op mijn gemak naar huis wandelen en … langzaam gaat het omhoog tot ik de onderste stapgreep van de trap bereik. Ik hijs mezelf omhoog en klim verder in de wetenschap dat het verstandig is even niet naar beneden te kijken. De geit is verdwenen. De gieren cirkelen nog boven me. Hoger en hoger gaat het terwijl ik naast me mijn karabiners los en weer vast klik en mijn hart in mijn keel bonkt.
Mijn onderarmen branden als ik naar de hoogste stapgreep grijp. Ik graai met mijn rechterhand onder mijn rugzak naar een van de setjes karabiners aan mijn klimgordel en zie bevestigd waar ik bang voor was als ik een setje te pakken heb: het draadeind waarvan de stapgrepen zijn gemaakt, is te dik voor de karabiners.
“Geen paniek,” mompel ik in paniek terwijl ik het stukje bandslinger dat de twee karabiners met elkaar verbindt op de bovenste stapgreep onder de wijsvinger van mijn linkerhand klem. Ik klik de twee karabiners, die nu net onder de bovenste stapgreep bungelen, aan elkaar, pak met mijn rechterhand nog een setje karabiners, haak één van de karabiners van het setje aan de twee karabiners die ik net aan elkaar klikte, trek en duw mezelf omhoog, haak de vrije karabiner voor mijn buik aan mijn klimgordel en laat mezelf zakken tot ik in de klimgordel zit. Ik laat de stapgreep los en maak de balans op van mijn situatie.
Dertig, veertig meter hoog hang ik tegen een gladde, verticale rotswand. De zon verwarmt me aangenaam en mijn uitzicht is fenomenaal. De stapgrepen traverseren vanaf hier in paren naar links, een lage stapgreep voor mijn voeten, daarboven een hoge voor mijn handen, een kleine meter ernaast hat volgende paar, boven de stapgrepen de staaldraad die een val voorkomt als ik misstap of misgrijp.
Nadat ik de karabiners van mijn klettersteigset heb herschikt, zet ik mijn voeten terug op een stapgreep en grijp ik de bovenste stapgreep. Ik strek mijn benen om de druk van de klimgordel te halen, klik de setjes paarse karabiners los en hang ze op de tast terug aan mijn klimgordel voordat ik de eerste stap naar links zet. Zonder staptreden onder me voelt de diepte nog onheilspellender. Nauwelijks in staat te ademen, het geratel van de karabiners op de staaldraad mijn gezelschap, stap ik een meter of tien zijwaarts tot de stapgrepen me weer omhoog leiden. Via een lichte overhang beland ik op een smal, steil oplopend plateau hoog boven de omgeving. Geen stapgrepen meer. Voorzichtig volg ik lopend, soms stukken klimmend, de staaldraad waaraan ik nog steeds ben vastgeklikt tot ik het hoogste punt van het plateau bereik. Als ik over de rand kijk, zie ik twee over een ravijn gespannen staalkabels. Tussen die twee kabels, iets lager, een derde kabel.
Ik klauter twee meter het ravijn in, klik elk van de twee karabiners van mijn klettersteigset aan een van de hoge kabels en zet mijn voeten op de lage kabel. Ik haal diep adem en schuifel met mijn handen aan de hoge kabels over het ravijn, dat uh… dat nogal een diep ravijn is. Vijftien, zestien meter naar de overkant, waar de kabels eindigen op een verticale rotswand waarin weer stapgrepen zijn verankerd en man, ik voel me niet goed. Mijn hart gaat tekeer, mijn mond is droog en ik ben mijn geslapjanus beu. Sinds ik deze klettersteig ontdekte—in een beeldscherm nota bene—ben ik nerveus en het laatste halfuur van mijn leven staat in het teken van angst, terwijl ik weet dat me niet werkelijk iets kan overkomen. Emotie, angst incluis, beleer ik mezelf, geeft kleur aan het leven. Zodra emotie overheerst, is het met het leven gedaan.
Midden boven het ravijn blijf ik staan. De kabel waarop ik sta, schommelt heen en weer. Ik kijk naar beneden, kijk op naar de gieren, kijk weer naar beneden, beloof mezelf geen stap meer te zetten tot het laatste restje angst is wegge-ebt en denk aan de Italianen die net voor de eerste wereldoorlog in de Dolomieten de eerste via's ferrata aanlegden zodat militairen zich snel door die bergketen konden verplaatsen. 1914! Het leven veranderde snel, maar het was nog steeds voor vrijwel niemand mogelijk zich tot tiran te ontwikkelen, hoewel we het omgekeerde leren. We leren—en geloven graag—dat tirannen van het leven een hel maakten voordat de mensheid de democratie omarmde. Ach, ach. Wat we leren, is waardeloos als we ons niet afvragen wie het ons leert en waarom. Slechts een enkele tiran gedijde voor 1914—en dan slechts voor een korte periode—want de mensheid was weerbaar. Alleen individuen met een goed ontwikkeld gevoel voor reciprociteit konden zich opwerken tot een positie van macht of rijkdom—of konden een positie van macht of rijkdom behouden—en iedereen rond die individuen profiteerde van hun macht of rijkdom. Democratie maakte daaraan een einde. Democratie gedijt op emotie en verschaft juist individuen die het woord reciprociteit niet kennen—hoe overtuigend soms ook hun filantropische imago—de middelen macht en rijkdom te vergaren. Daarnaast verschaft democratie dwazen de mogelijkheid hun medemens te tiranniseren en ik denk aan Zola, die ooit opmerkte dat de waarheid, als we haar begraven, slechts zal groeien en … schuchter eerst, dan minder schuchter, grinnik ik voor de tweede keer vandaag inwendig als ik me realiseer dat ik me ondanks de onzin die door mijn hoofd spookt weer de zenkabouter voel die ik graag ben. Een zenkabouter die op een staalkabel boven een ravijn balanceert en leeft omdát de diepte waarboven hij balanceert hem angst inboezemt—en omdat rede hem ervan weerhoudt aan die angst nog langer toe te geven.
De gieren die boven me cirkelen, de frisse lucht, de zon die me verwarmt, het fenomenale uitzicht dat ik heb. Langzaam schuifel ik voorwaarts tot ik, als ik eenmaal tegen de rotswand leun waar de drie staalkabels over het ravijn eindigen, de karabiners van mijn klettersteigset aan een staaldraad klik die hier begint. Hoger en hoger gaat het via stapgrepen en beklimbare stukken rotswand tot de staaldraad eindigt op een plek waar de kans op een fatale val niet meer aannemelijk is. Ik negeer de trek in koffie die ik heb en wandel vijf-, zeshonderd meter door de steil oplopende wildernis naar een volgende rotsformatie. Al snel vind ik aan de voet ervan weer een staaldraad en ondanks de twijfelachtige staat waarin die staaldraad lijkt te verkeren, klik ik mezelf eraan vast. De klim—goeddeels via stapgrepen—is niet moeilijk maar gaat loodrecht omhoog en na een halfuur klik ik mezelf op ruim dertienhonderd meter boven zeeniveau los van de staaldraad en kijk ik ademloos om me heen. De gieren zijn verdwenen. Geen hogere bergtop dan de top waarop ik sta. Ik zie Antequera ver onder me, zie de rots van de geliefden, die ik in een vorig leven als herkenningspunt gebruikte als ik hier vloog in mijn ultralight, en uh… natuurlijk sta ik niet op de K2, maar ik voel me goed.
Mijn rug tegen een rotsblok, mijn benen gestrekt voor me, zit ik in het gras en staar ik naar de Middellandse Zee in de verte. De strakblauwe lucht geurt licht naar aankomende regen. Mijn gasbrander snort onder een ketel water. Gezonde voeding en beweging in de buitenlucht, leren van wie werkelijk iets te leren is, nadenken zonder vooroordelen, de wildernis, af en toe een kampvuur, wat emotie maar overwegend rede en de zekerheid dat ik doe wat ik kan om niemand op haar of zijn tenen te trappen. Man, het is zo makkelijk van het leven iets te maken …
Ruim vijfhonderd hoogtemeters heb ik erop zitten. Halfelf schat ik dat het is. Om één uur hebben Heidi en ik afgesproken bij El sombrerillo, een paddenstoelvormige rotsformatie, waar Heidi naartoe wandelt van de parkeerplaats in de Torcal, een piepklein maar zeldzaam mooi natuurgebied. Tien kilometer heb ik te gaan, vierhonderd meter omlaag, driehonderd meter omhoog. Maar eerst koffie! Ik giet kokend water in de filter op de rand van mijn Stanleythermos, geniet van de geur van aankomende regen gemengd met die van koffie en voel me gelukkig ...



