Stampij ...
- Nikko Norte

- 22 jul 2025
- 12 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 4 dagen geleden
Stoer dribbelt Boris naast me terwijl ik ontspannen door kerstversierde straten wandel, één oog op Boris, die zijn gedribbel regelmatig onderbreekt. Telkens weer stuit hij aan een gevel op een luchtje dat de moeite van het besnuffelen waard is en wacht ik geduldig tot hij is uitgesnuffeld en een onbeholpen poging doet een poot op te tillen. Een paar weken geleden vonden Heidi en ik het kereltje uitgehongerd in de bergen ten oosten van de Andalusische stad Antequera, waar we sinds augustus wonen. We schatten hem een week of zes oud. Hij knapte snel op en ondanks de wandelingen die we met hem maken en de tijd die we met hem spelen, raast hij hele dagen door het huis. Vandaag neem ik hem voor het eerst mee de stad in en voor het eerst in zijn leven draagt hij een halsband en loopt hij aan een riem. Alles wat hij ziet, hoort of ruikt, lijkt hem te verbazen en als we samen de bank binnenwandelen waarnaar we onderweg zijn, denk ik aan de muis die met een olifant op een brug loopt en zegt: “Wat stampen we lekker, hè?”
De bankmedewerker bij wie Heidi en ik een rekening openden, kijkt op uit het beeldscherm waarin hij staart. Hij wijst naar Boris, steekt zijn wijzende vinger omhoog en beweegt die vinger heen en weer. Als ik op een van de twee stoelen voor zijn bureau ga zitten, zegt hij: “Honden zijn hier niet toegestaan.”
“Pasa nada niks aan de hand,” merk ik op terwijl ik mijn benen kruis, “Heidi y yo no lo identificamos como perro Heidi en ik identificeren hem niet als hond,” en tot mijn verbazing laat Boris zich door zijn achterpootjes zakken als ik “Af” tegen hem zeg. De bankmedewerker slaat zijn ogen op naar het plafond, knijpt zijn lippen samen en schudt zijn hoofd en ik verdenk hem ervan dat hij denkt aan de klap die ik op zijn bureau gaf toen Heidi en ik onze rekening bij hem openden.
Bank na bank liepen we binnen, net nadat we in Antequera waren gearriveerd, en het speet ons dat we onze Catalaanse bankrekening hadden opgezegd—we woonden in Catalonië voordat we in Antequera belandden. Om die Catalaanse bankrekening te openen, waren we verplicht geweest via de bank een aanvullende zorgverzekering af te sluiten. Heidi en ik maken nooit aanspraak op zorg, maar toen Heidi op die zorg wél een keer aanspraak maakte, bleek er geen verschil te bestaan tussen gewoon verzekerd zijn en ook nog eens aanvullend verzekerd te zijn. Om van die aanvullende zorgverzekering af te zijn, zegden we voor ons vertrek uit Catalonië onze bankrekening op. Maar ook banken in Andalusië verplichten ons voor het openen van een rekening zo’n verzekering af te sluiten. Toen we eindelijk een bank vonden waar we zonder poespas een rekening konden openen, eiste een medewerker dat ons NIE-nummer—een nummer waarmee Europese buitenlanders zich in Spanje bij sommige instanties identificeren—als plastic ID-kaart is uitgevoerd.
Heidi en ik—we veronderstelden dat daar de NIE-schoen wrong—vroegen onze NIE-nummers lang geleden aan, in het tijdperk dat NIE-nummers nog op een A4’tje werden geprint, en de agent die ons hielp aan het extranjerialoket in het politiebureau van Antequera, waar NIE-nummers worden uitgegeven en waar we navraag deden, was onvermurwbaar: "El NIE emitido como tarjeta de identidad no existe een als ID-kaart uitgevoerd NIE-nummer bestaan niet!"
Een oudere agent hield ons staande toen we verbouwereerd het politiebureau uit liepen.
“Eres Nikko Norte jij bent Nikko Norte, no?” vroeg hij vriendelijk.
“Si, lo es dat is hij,” antwoordde Heidi voordat ik iets flauws kon antwoorden, waarop de agent uitlegde dat de collega die ons zojuist van dienst was geweest haar dag niet had en dat ze had moeten uitleggen dat NIE-nummers nog steeds op A4’tjes worden uitgegeven, maar dat er tegenwoordig voor buitenlanders ook een TIE-nummer bestaat. TIE-nummers worden als ID-kaart uitgegeven en moeten worden aangevraagd door buitenlanders van wie de residentieaanvraag is goedgekeurd. Veel instanties, vervolgde de agent, verwarren NIE- en TIE-nummers met elkaar. Nadat ik de agent had uitgelegd wat ten grondslag lag aan onze zoektocht naar een als ID-kaart uitgevoerd NIE-nummer verwees hij ons niet alleen naar de bank die Boris en ik net binnenwandelden, maar ook naar de medewerker tegenover me, die zijn cuñado is, zijn zwager, én een aficionado van de corrida, wat in ons geval, voegde de agent daar met een knipoog aan toe, een voordeel is.
Man, in landen die als bananenrepubliek bekend staan en waar ik me in vorige levens periodes ophield, functioneerde het ambtelijke apparaat beter dan in de huidige EU. Maar, toegegeven, het openen van een bankrekening was no problema bij deze bank. De agent die ons in het politiebureau had aangesproken, had zijn cuñado laten weten dat we ons misschien bij hem zouden melden en een voorkeursbehandeling—zo voelde het—viel ons ten deel. Toch leek het even met no problema te zijn gedaan toen vriend Cuñado tijdens het intikken van onze gegevens opkeek uit zijn beeldscherm en naar onze politieke voorkeur vroeg. Natuurlijk had het op basis van alleen die vraag niet per se met no problema gedaan hoeven zijn, maar vriend Cuñado voegde eraan toe dat het uitspreken van onze politieke voorkeur geen consequenties zou hebben. Woest had ik een klap op zijn bureau gegeven en ik had gezegd: "No me digas tonterías vertel me geen onzin."
“Pero maar …” had hij geschrokken gestotterd.
“Als er geen consequenties zijn, zou de vraag niet worden gesteld. Wie die waarheid probeert te esfu… difu… disimilar verdoezelen, es un payaso is een clown y …” “PSOE!” was Heidi me in de rede gevallen.
“En wat," vroeg ze daarachteraan, "is stemmen in het Spaans?”
“Votar,” had ik verbaasd geantwoord, waarop Heidi tegen vriend Cuñado had gezegd: “No podemos votar en España we mogen niet stemmen in Spanje, pero somos aficionados del PSOE, maar we zijn liefhebbers van de PSOE.”
Tevreden keek vriend Cuñado weer in zijn beeldscherm en ik mompelde naar Heidi: “Partidarios.”
“Huh…?”
“Partidarios, niet aficionados. En de PSOE is een socialistische partij, waar ik al helemaal geen …” ”Stop met je fratsen, Nik” was Heidi me opnieuw in de rede gevallen. “Het is lastig genoeg om te overleven binnen de EU zolang jij weigert publiekelijk je mond te houden over wat er gebeurt in de wereld. We hebben een bankrekening nodig en zolang we in deze bank zijn, zijn we socialisten, zijn we gevaccineerd tegen alles waar je een loopneus van kunt krijgen, vinden we Poetin een nare man en zijn we ons bewust van de invloed die we uitoefenen op het klimaat.”
Heidi had gelijk destijds en … “Como te puedo ayudar hoe kan ik je helpen?” vraagt vriend Cuñado en ik zie zijn ogen groot worden. Ik volg zijn blik en zie een wit-bruin hondje door de bank stuiven. Sommige mensen in de rij voor een loket gillen, andere mensen lachen. Terwijl ik opsta, zeg ik tegen vriend Cuñado dat ik hier ben omdat onze rekening is geblokkeerd. Ik leg mijn bankpas op zijn bureau en loop naar het midden van de bank, blij dat Boris hier—in nog geen seconde—zijn kop uit zijn halsband heeft gewurmd, niet op straat. Wat er met hem loos is, weet ik niet, maar af en toe heeft hij een aanval zoals nu. Als een karakter uit een tekenfilm raast hij in het rond en rent hij zoals Neo uit de Matrix zijdelings stukjes over muren, meubelstukken of bomen. Niks, normaal gesproken, houdt hem tegen tot hij is uitgeraasd en tot mijn verbazing gaat hij voor mijn voeten op de grond liggen als ik “Boris!” roep. Ik pak hem van de grond, vertel hem dat hij een brave hond is en ga weer zitten op de stoel waarvan ik net opstond, Boris op schoot.
“Jullie paspoorten zijn verlopen,” merkt vriend Cuñado op, “Ik heb de bankrekening weer geactiveerd, maar tot jullie nieuwe paspoorten hebben, kan de computer jullie rekening op elk moment weer blokkeren.”
“Maar vooralsnog werkt alles weer, toch?” vraag ik voor de zekerheid terwijl ik Boris’ halsband smaller af probeer te stellen en Boris met zijn scherpe tandjes op mijn vingers knauwt.
“De momento está todo funcionando vooralsnog werkt alles.”
Ik sta op, geef vriend Cuñado een hand, zeg: “Adelante por la izquierda voorwaarts via links y Feliz Navidad en een vrolijk kerstfeest,” en loop met Boris op mijn arm de bank uit.
Het regent. Niet hard. Ik zet Boris op de grond, pin twintig euro bij de ATM naast de ingang van de bank en zet koers naar de plaza de toros van Antequera. Vrijdag 20 december 2024. Voor de tweede keer vandaag realiseer ik me dat ik ontspannen over straat ga.
Sinds Heidi en ik in Antequera wonen, lopen mensen tegen me op, en al snel maakte ik er een gewoonte van altijd op de rechter stoep langs een straat te lopen, aan de rechterkant van die stoep, mijn rechterschouder tegen de gevels van huizen en winkels, mijn ogen op de grond gericht. Het helpt iets maar niet veel. Om de haverklap loopt iemand tegen me op en die iemand zoekt vervolgens ruzie. Om botsingen en ruzies te voorkomen, moet ik me als een ballerina over stoepen bewegen en dat gaat me te ver. Ga ik met Heidi de stad in, dan is er weinig aan de hand, gesteld dat Heidi voor me loopt. Loop ik voorop of lopen we naast elkaar, dan gaat het mis en gelukkig heeft Heidi dat zo vaak zien gebeuren dat ze me er niet van beschuldigt dat ik spoken zie.
Misschien is het vergezocht, maar ik denk dat een en ander te maken heeft met het gehamer van de Spaanse gangbare media op mannelijke agressie, waarmee het volgens die gangbare media afgelopen moet zijn. Het thema is overal, voortdurend, en ik heb het gevoel dat de recent ingevoerde, ongeschreven wet die voorschrijft dat ik niet meer op provocaties mag reageren mensen aanzet me te provoveren. Het maakt niet uit of ik op straat loop of in bijvoorbeeld een supermarkt loop of in de rij sta voor kassa’s in winkels; een mannelijke kabouter leeft in Antequera in een wonderlijke wereld.
Een kennis met wie ik voorzichtig besprak wat ik hier dagelijks meemaak, liet me weten dat waarschuwingen tegen mannelijke agressie logisch zijn omdat femicide in Spanje meer voorkomt dan in andere landen. Ik uh… ik had wat moeite de logica van mijn kennis te volgen—en had het woord femicide nooit eerder gehoord—en had het gevoel dat de woorden huiselijk geweld niet alleen de lading beter dekken dan mannelijke agressie maar ook voorkomen dat bijna honderd procent van de halve bevolking van een land onschuldig in een hoek wordt getrapt. Mijn kennis ging er daarnaast aan voorbij dat huiselijk geweld overal steeg waar corona werd gevierd en dat het in Spanje iets meer steeg dan in andere landen omdat de Spanjaarden zich tweeënvijftig achtereenvolgende dagen in hun huizen lieten opsluiten—zonder dat dat de coronadata deed verschillen van landen waar de bevolking nog niet dociel genoeg werd geacht zich tweeënvijftig dagen in hun huizen te laten opsluiten.
Boris maakt van wandelen in Antequera een feest, ontdek ik. Niemand wil hem onder de voet lopen en als gevolg daarvan loopt niemand tegen me op. Stoer stampen we langs de plaza de toros. Ik vind de stal die ik zoek, koop in die stal een kerstboom—hoewel niet voordat ik nog een keer geld pin bij een ATM omdat ik de prijs van kerstbomen verkeerd heb ingeschat—en voel me genoodzaakt wat agressiviteit aan de dag te leggen als de kerstboomverkoper weigert te zwichten voor mijn vriendelijke pogingen hem ervan te weerhouden mijn kerstboom door een machine te schuiven die een net om die kerstboom bindt. Tonnen plastic in het milieu, elk jaar weer, om onze kerstbomen makkelijk te kunnen transporteren. Ik uh... ik doe er liever niet aan mee. Ik til de kerstboom op een schouder, wens de geschrokken kerstboomverkoper een vrolijk kerstfeest en geef een rukje aan Boris' riem.
Door de drukke hoofdstraat van Antequera gaat het in de richting van het kasteel van Antequera, waaronder Heidi en ik wonen, mijn rechterschouder, ondanks het veilige gevoel dat Boris me geeft, tegen de gevels van huizen en winkels, kerstboom over mijn linkerschouder, mijn ogen op de grond gericht. De kerstverlichting boven Antequera's hoofdstraat brandt. 's Avonds is het aangezicht van die kerstverlichting spectaculair, maar ook nu—ik kijk af en toe even op—ben ik ervan onder de indruk. De winkels links en rechts van me die niet leegstaan, huisvesten cafés, banken, een enkele makelaar, apotheken, opticiens, nagelstudio’s, kapsalons en door Chinezen bestierde winkels van Sinkel. Op de straat rijden voornamelijk bestelauto's van pakketdiensten en bestelauto's van het bedrijf Nacex, dat apotheken bevoorraadt, en de personenauto’s die ik zie, zijn enorm, realiseer ik me plotseling. Vrijwel elke personenauto heeft iets weg van een 4x4—waarvan de gangbare media me bog niet lang geleden instrueerden ze asobakken te noemen—en met een gevoel van weemoed bedenk ik hoe geweldig het zou zijn als er weer kleurrijke lelijke eenden, Seats 600, Renaults 4, Goggomobils, Trabants en NSU’s door straten zouden rijden. NSU's, wie kent ze nog, met een moderne motor! Vijftig kilometer op een liter diesel? Meer? Alleen al de gedachte aan rijden in een kleine auto maakt dat we ons identificeren als ongelukkige mensen en uh... jammer wel. En mijn politieke voorkeur? Franco zou mijn voorkeur hebben. Hij zou de vrijheden van mensen minder hebben beperkt dan de EU dat doet. Vijftig jaar democratie en de EU hebben Spanje inmiddels aan de rand van de afgrond gebracht. De gangbare media besteden er geen aandacht aan, maar het land staat in brand en als eerdaags de door de EU gesloopte Spaanse economie definitief instort—wat onherroepelijk gebeurt als de EU de subsidies die ze Spanje verstrekt, inperkt—is de bok vet.
Een jaar zouden Heidi en ik in Antequera wonen. Voor het einde van dat jaar zouden we in de bergen van Andalusië dat afgelegen stukje grond hebben gevonden waar we als kluizenaars kunnen leven. Een klein hutje—dat ik wil bouwen van oude zeecontainers; ik heb het Heidi nog niet verteld—en de twee studio’s die we nodig hebben om de video’s ter ondersteuning van De holbewonercode op te nemen. De tijd die we niet zouden schrijven of filmen, zouden we schoffelen op ons akkertje en onze kippen en geiten verzorgen. Al snel ontdekten we dat ons plan onzinnig is. Het grondwater in Andalusië is op en schoffelen zonder grondwater is verspilde energie. Al dat grondwater vloeide de afgelopen dertig jaar naar de miljoenen olijfbomen die de Andalusiërs in ruil voor subsidie van de EU in de Andalusische wildernis plantten. Het leven van een gesubsidieerde olijfboer is een goed leven, vooral omdat er na de ontvangst van de subsidie geen reden is—en er ook geen mogelijkheden zijn—olijven te oogsten en pas kortgeleden ontdekten we het waarom van die olijfboomsubsidiezwendel.
Andalusië is in bestaande plannen een energiehub, grotendeels bedekt met zonnepanelen en windmolens. Als bedrijven zoals Iberdrola de noodzakelijke grond hadden moeten kopen, zou de prijs voor die grond zijn gestegen. Zodra eerdaags de subsidies op olijfbomen worden ingeperkt, verwerft Iberdrola die grond voor een grijpstuiver. Noord-Europeanen subsidieerden de afgelopen decennia dus niet de olijfhandel, maar subsidieerde Iberdrola, en leven op een afgelegen stukje grond in de bergen van Andalusië is met het oog op de ontwikkelingen minder leuk dan het had geleken toen we naar Antequera verhuisden. Het is wat het is, maar het antwoord op de vraag waarheen nu is nog niet zo makkelijk.
In gedachten verzonken heb ik me door Boris naar de linkerkant van de stoep laten leiden. Boris besnuffelt de voet van een lantarenpaal en geduldig wacht ik tot hij is uitgesnuffeld en een onbeholpen poging doet een poot op te tillen. Pratend in een telefoon verlaat een volumineuze jonge vrouw met een boodschappenkarretje—tot voor kort het exclusieve eigendom van bejaarde mensen—de telefoonaccessoireswinkel waarvoor de lantarenpaal staat die Boris besnuffelt. Ze kijkt even op naar de donkere lucht en net te laat om oogcontact te vermijden, kijk ik weer naar Boris. Geen seconde later zie ik van onder mijn oogleden het boodschappenkarretje op me afkomen. Twee sets van drie wieltjes aan beide zijden van dat karretje en ik realiseer me zonder dat ik begrijp waarom ik me dat nu realiseer dat die twee sets van drie wieltjes het mogelijk maken dat karretje een trap op te slepen. En terwijl een koor van stemmen in mijn hoofd gilt dat ik niet mag zwichten voor het zinloze geweld waarmee ik word geconfronteerd, stap ik uit de baan van het karretje en de honderd kilo stuwende kracht erachter. Ik voel het schaamrood naar mijn kaken stijgen en voel het weer wegtrekken als ik besef waarom ik ben gezwicht.
Zinloos geweld roept doorgaans een explosieve agressie in me wakker, waarmee ik Boris, ook al heeft hij er niets mee te maken, niet wil confronteren en dat betekent dat mijn nieuwe vriendin wegkomt met haar waanzin. Maar om mezelf niet te verstrengelen in Boris’ riem maak ik een halve draai en de schreeuw die ze geeft als de kerstboom op mijn schouder, die ik ben vergeten, haar raakt, doet Boris opschrikken uit zijn olfactorische avontuur. Drie, vier mensen staan plotseling om me heen. Filmende telefoons zijn op me gericht terwijl mijn nieuwe vriendin zich ontpopt tot wat tegenwoordig, weet ik toevallig, een Karen wordt genoemd. Ik laat de kerstboom op de grond zakken om mijn handen vrij te hebben als het onverhoopt tot een handgemeen komt, staar naar Boris, die verder snuffelt, en voel hoe een deprimerend gevoel zich van me meester maakt als tot me doordringt dat de hele mensheid inmiddels een rol speelt in de Squid Game. Een kleine groep mensen—waaronder de eigenaars van Iberdrola—kijkt lachend toe hoe we ons tegen elkaar laten opzetten en elkaar uiteindelijk naar het leven staan …
De mensen om me heen laten hun filmende telefoons zakken als ze beseffen dat ik me niet tot TikTokwaardig gedrag laat verleiden. Ze lopen verder en dat deprimerende gevoel van me afschuddend grinnik ik inwendig als ik zie dat Karen, razend en tierend, via de stoep van me wegloopt en niet Antequera's hoofdstraat oversteekt waar ze dertig seconden geleden nog vastbesloten leek die hoofdstraat over te steken—wat alleen al vanwege de verkeersdrukte een rare plek is Antequera’s hoofdstraat over te steken.
Nat is Boris nog kleiner dan droog. Wat een kereltje! Uitgesnuffeld doet hij een onbeholpen poging tegen de lantarenpaal een poot op te tillen. Zelf ook behoorlijk nat inmiddels geef ik een rukje aan Boris' riem en we vervolgen onze tocht, kerstboom over mijn linkerschouder, mijn rechterschouder tegen de gevels van huizen en winkels, mijn ogen op de grond gericht. Ik heb trek in koffie en verheug me op het optuigen van onze kerstboom …



