Is het gras bij de buren groener?
- Nikko Norte

- 1 nov
- 10 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 3 nov
Voor de eerste keer in mijn leven heb ik iets verstandig aangepakt en uh… slecht bevalt dat niet. Montelobado! Een klein Spaans dorp aan de grens met Portugal ter hoogte van Salamanca, waar de inwoners dapper weerstand bieden aan de vooruitgang. Heidi, Boris de terriër en ik verhuisden er onlangs vanuit Andalusië naartoe nadat we Montelobado op de eerste dag van mei dit jaar kort bezochten. Onverstandig, die verhuizing, maar vooralsnog hebben we geen spijt. We spreken dat niet hardop uit, want van eerdere verhuizingen—het waren er nogal wat—hebben we wel spijt en terwijl ik daarover nadenk, realiseer ik me dat het onzin is in deze context het woord spijt te gebruiken. We hebben helemaal geen spijt van onze eerdere verhuizingen. We ontdekten na elke verhuizing dat we niet aardden op de plekken waar we naartoe verhuisden en dat is iets positiefs, niet iets om spijt van te hebben.
Wie weet wat-ie wil? Alles wat we denken te willen in het derde millennium, is aangeleerd of aangesmeerd. We berusten daarin—ook dat is ons aangeleerd—en gaan er zodoende aan voorbij dat het essentieel is te ontdekken wat we in het leven níet willen om zodoende een idee te ontwikkelen van wat we mogelijk wél willen.
Hoe meer we ondernemen, hoe groter de poel van wat we niet willen en hoe kleiner de poel van wat we mogelijk wel willen. Natuurlijk kunnen we geluk hebben en weten we al vroeg in ons leven wat we wel willen, maar ik ben bang dat ons is aangeleerd snel tevreden te zijn.
“Ja maar, het gras bij de buren is altijd groener,” zeurt een stemmetje in mijn hoofd.
“Ach, ach,” hoor ik mezelf in mijn gedachten antwoorden, “een typische uitspraak die voortvloeit uit gemakzucht, de gevaarlijkste verslaving die er bestaat en waarvoor hetzelfde geldt als voor andere verslavingen: het is zoet met bittere gevolgen.”
Twee weken geleden, 31 juli 2025, arriveerden we in Montelobado. Vroeg, de volgende ochtend, pompte ik de banden op van Heidi’s fiets—waarop ik fiets omdat ik op mijn oude Cannondale niet prettig meer fiets. Ik riep naar Heidi dat ik ervandoor ging en was tien minuten later terug in het kleine huis dat we huren—en dat goed bevalt. Ik negeerde Heidi’s “Nu al terug?” liep met een karaf in de hand naar de fontein in het centrum van het dorp, dertig meter voor ons huis, schepte terug thuis koffie in de filter op de rand van onze Stanleythermos en goot er kokend bronwater op. Terwijl mijn koffie doorliep, zette ik rooibosthee voor Heidi en zette ik de televisie van ons nieuwe huis aan, waaraan Heidi inmiddels een kastje had geklikt dat maakt dat we naar Netflix kunnen kijken.
Terwijl we onze thee en koffie dronken, keken we een stukje van een serie waarin een paar Amerikanen oude auto’s opknappen, een van de weinige Netflixseries waarin ons geen aan diversiteit-, gelijkheid- of inclusiegerelateerde onzin wordt aangeleerd—hoewel het lijkt of Netflix alleen auto-opknapseries vertoont als de motortechneut in de serie een vrouw is, die cilinderkoppen losschroeft met centimeterslange plaknagels en lonkend naar de camera vanonder nepwimpers uitlegt hoeveel pk de motor van de opgeknapte auto na revisie ervan heeft. Hoe dan ook, we kijken graag naar hoe van schroot iets moois wordt gemaakt en nadat Heidi de televisie weer uitzette—thee en koffie op—vroeg ze: “Je hebt tien minuten gefietst. Lukt het nu ook op mijn fiets niet om zonder pijn te fietsen?”
“Ik uh… ik pak het verstandig aan,” antwoordde ik. Heidi schoot in de lach en gepikeerd legde ik uit: “Het jaar dat we in Andalusië woonden, heb ik nauwelijks kunnen fietsen. Toen ik het twee maanden geleden een keer probeerde, zou ik nooit zijn thuisgekomen als je niet in de auto naar me op zoek was gegaan. Vandaag heb ik tien minuten gefietst, morgen vijftien, en zo verder. Verstandig!”
Dat was twee weken geleden. De laatste vier dagen fiets ik lachend rondes van zo’n dertig kilometer en voor vandaag stippelde ik een ronde uit van vijfenveertig kilometer—met een tussenstop. Man, het is een feest, fietsen rond Montelobado. Overal meanderen zandpaden door glooiend landschap dat in kleine kavels is verdeeld met eeuwenoude, met bramenstruiken begroeide muurtjes van gestapelde stenen. Direct rond Montelobado verbouwen mensen groente en fruit in die kavels. Net iets verder van het dorp graast er vee in. Mensen schoffelen in hun kavels, huertos, irrigeren hun groente en fruit met water uit putten of drijven koeien, geiten en schapen van kavel naar kavel. De appels en peren zijn nog niet rijp, de pruimen en de vijgen wel en af en toe stuit ik op een bramenstruik waarin al rijpe bramen hangen. Overal, ook in de kavels, staan verschillende types bomen en overal steken grote rotsblokken uit de grond. Geelbruin is de kleur die de omgeving domineert zonder dat die omgeving dor is. Een olifant of giraffe in de verte en ik zou me in Afrika wanen.
Pas toen tien minuten geleden tot me doordrong dat ik vuur rook, realiseerde ik me dat het vandaag niet heiig is, maar dat de rook van de bosbranden rond Montelobado laag boven de grond blijft hangen. Het geeft een bijzondere sfeer. Een Maarten Toondersfeer, maar dan warmer. De zon is oranje, gieren, echte aasgieren, alimoches, vliegen meters boven me en … aankondigingsposters voor corrida’s begroeten me als ik het dorp Castralba binnenfiets. Het dorpsplein, dat ik snel bereik, is deels omgebouwd tot arena en ik vermoed dat het jaarlijkse dorpsfeest, de feria, op handen is en dat de arena wordt opgebouwd, niet afgebouwd. Ik zet mijn fiets tegen de kerk, drink water uit een bron, stap een café binnen en kijk verbaasd om me heen. Het is druk in het café. Overal staan mensen met elkaar te praten en aan elk van de tien, elf, twaalf tafeltjes spelen mensen kaart. Een uh… een aangenaam schouwspel, vooruitgangloos …
Ik vind een lege kruk aan de toog en hoef niet lang te wachten tot een kelner zijn wenkbrauwen naar me optrekt.
“Un café solo,” zeg ik zo luid als ik kan over het geroezemoes van stemmen, “con un poco más agua.”
“Solo largo?”
“Solo medio largo,” antwoord ik en ik bedenk dat Heidi hier had moeten zijn. Jammer, maar we kunnen pas samen fietsen als ik een mand voor Boris op een van onze fietsen heb geknutseld.
De kelner zet een glas met mijn koffie voor me op de toog.
“Algo para picar?” vraagt hij vriendelijk.
“No, gracias,” antwoord ik even vriendelijk. “He desayunado hace poco ik heb net ontbeten,” en ik verdraai mijn nek als ik uit mijn ooghoeken vuur zie door een raam. Oranje vlammen boven een heuvelrug. Ik tik de dichtstbijzijnde kaartspeler op een schouder en als hij naar me opkijkt, zeg ik wijzend naar het raam: “No te preocupas, ese incendio?”
De man houdt een hand achter een oor en ik roep: “El incendio het vuur! No te preocupas maak je je daar niet druk om?”
Iedereen aan de tafel grijnst. De man die ik aanspreek, legt zijn kaarten op tafel en zegt met het type hese stem waarmee alleen sommige mensen in Spanje praten: “Tengo ochenta y tres años ik ben drieëntachtig. Weet je hoeveel branden ik hier al heb meegemaakt? Ustedes jóvenes jullie jongeren kijken te veel televisie. Brand is goed voor de natuur.” Hoofdschuddend pakt hij zijn kaarten weer op.
Sippend van mijn koffie—goede koffie, nondeju—staar ik naar de oranje gloed achter de ramen van het café en mijn gedachten dwalen naar de oranje gloed die ik ooit zag achter het raam van een huis in de Rotterdamse wijk Schiebroek.
Wantrouwend had de moeder van mijn toen vierjarige zoon toegekeken hoe ik de cadeautjes die ze had gekocht en die Sinterklaas mijn zoon op Sinterklaasavond zou geven in een jutezak stopte waarin ik eerder de cadeautjes stopte die ík had gekocht. Verkleed als Zwarte Piet, de jutezak met pakjes over een schouder, zou een van mijn vrienden op Sinterklaasavond net na het avondeten op de deur bonken van het huis waar mijn zoon en zijn moeder woonden en waar ik die avond ook zou zijn.
Nu was mijn vriend vergeetachtig, ik vergat daar rekening mee te houden, maar gemakzuchtig was hij niet en ook daarmee vergat ik rekening te houden. Pas om zeven uur ’s avonds herinnerde mijn vriend zich op 5 december wat hem die avond te doen stond en hij realiseerde zich dat hij was vergeten een Zwarte Pietenpak te huren. In de anderhalf uur die volgde—leerde ik de volgende dag—zag mijn vriend kans ergens een clownspak, een gele pruik, een kurk, een aansteker, een klimgordel, een achtje, een statische lijn van forse lengte en een pakje sterretjes te bemachtigen en zich toegang te verschaffen tot het dak van het flatgebouw waarin mijn zoon en zijn moeder woonden. Om zijn blunder goed te maken en van Zwarte Piet een mythologische figuur had mijn vriend—clownspak aan, gele pruik op zijn hoofd, een paar zwarte vegen op zijn gezicht—besloten af te dalen van het dak van het flatgebouw waarin mijn zoon en zijn moeder woonden en op het raam van nummer 37 te bonken in plaats van op de deur ervan. Lijn aan een schoorsteen, klimgordel over het clownspak, achtje aan de lijn en aan de klimgordel en nadat hij de sterretjes in de jutezak met cadeautjes had geprikt en had aangestoken en de jutezak onder zich aan de klimgordel had gehangen, stapte mijn vriend over de dakrand. Afdalend passeerde hij ramen op de zesde, vijfde, en vierde verdieping en net voordat hij de derde verdieping bereikte, waren de sterretjes zover opgebrand dat de jutezak met cadeautjes vlamvatte.
Mijn zoon, toen de politie op de deur bonkte, pakte zonder dat het hem leek te deren natte, verschroeide cadeautjes uit en ik at het stuk boterletter dat zijn moeder woest voor me op de salontafel had gekwakt. Ik maakte me geen zorgen. Ik wist dat de clown die de politie zocht allang in de donkere nacht was verdwenen en … een kelner tikt op mijn arm.
“Otro café?” vraagt hij als ik me naar hem toe draai. Terwijl ik verschrikt over een pijp wrijf van de wielrenbroek die ik draag en voel dat ik de munt van twee euro die ik erin wegstopte niet ben verloren, schud ik spijtig mijn hoofd en mompel ik: “No gracias,” op het moment dat de deur van het café opengaat en Júlia binnenstapt.
Anderhalf jaar geleden—Heidi en ik woonden nog in Catalonië, waar we woonden voordat we naar Andalusië verhuisden—ontmoette ik Júlia en ik herinner me dat ik over die ontmoeting het korte verhaal Het elementaire deeltje schreef. Veranderd is ze niet. Haar blonde haar is opgestoken met dezelfde met turquoise stenen versierde, metalen speld, waarmee haar haar destijds was opgestoken. Net als anderhalf jaar geleden draagt ze een halflange jurk van ongeverfde wol. Het was me toen niet opgevallen—we zaten in het gras—maar om haar middel draagt ze een prachtig gedecoreerde, brede, leren riem. De leren armbanden die ze om haar polsen draagt, roepen een gevoel van jaloezie in me wakker en ik besef dat ik gelijk had toen ik anderhalf jaar geleden oordeelde dat haar leren sandalen duurzaam zijn; ze draagt die sandalen nog steeds—en ze is ver van huis.
Júlia’s blauwe ogen lichten op als ze me ziet. Ze wurmt zich tussen de mensen door, zet haar leren rugzak op de grond, neemt naast me de kruk waarvan iemand net opstond en zegt: “El trovador de troubadour! Qué haces aquí wat doe je hier?”
“Tomando café,” antwoord ik en als Júlia’s wenkbrauwen omhoogschieten, realiseer ik me dat Júlia uit 1497 komt en geen idee heeft wat koffie is. Ik laat het erbij en vraag haar wat ze wil drinken.
“Ptisana!” antwoordt ze lachend.
Ik schud mijn hoofd en zeg: “Misschien kan ik warme melk met honing voor je regelen of een infusie van kamille.”
“Kamille dan,” zegt Júlia, wat ik doorgeef aan een kelner, die toevallig mijn kant op kijkt. Als ik Júlia vraag wat zíj in Castralba doet, zegt ze: “Ik wandel een paar maanden door Castilië. Ik wil me verderop de Duero laten overzetten en wandel dan door Portucale verder naar het westen om de oceaan te zien.”
“In 2025?”
“Waarom niet?”
“Ik uh… ik kan wel wat redenen bedenken waarom ik hier liever in 1497 zou wandelen,” antwoord ik.
“Hm… daar zit wat in. Aantrekkelijker is de wereld er de komende vijfhonderd jaar niet op geworden,” geeft Júlia me gelijk, “hoewel deze omgeving zo kwaad niet is. Maar het voelt,” voegt ze daaraan toe, “of je iets dwarszit,” en haar ogen worden groot als een kelner een schoteltje voor haar op de toog zet met daarop een glas heet water. Ik hef een hand om Júlia gerust te stellen, pak het zakje dat op het schoteltje ligt, scheur het open, haal er een buideltje uit, dat ik in het glas hang, en zeg: “Ik weet het niet, maar ik voelde me een halfuur geleden om de oren geslagen met de waarheid dat de mensheid aan haar gemakzucht ten onder gaat.”
“Imposible,” zegt Júlia hoofdschuddend. “En una sociedad sana in een gezonde maatschappij hebben gemakzuchtige mensen geen overlevingskansen en de mensheid kan dus aan gemakzucht niet ten onder gaan … hoewel! Zei je de laatste keer dat we elkaar spraken niet dat in de meeste landen in jouw tijd—in deze tijd—de democratie weer wordt uitgeprobeerd als bestuursvorm?”
“Ik uh…. ja, we hadden het daarover, maar …” “Dát,” valt Júlia me in de rede, “is waaraan de mensheid mogelijk ten onder gaat en gemakzucht draagt eraan bij omdat een democratie alleen kans van slagen heeft als mensen het tegenovergestelde van gemakzuchtig zijn. Als mensen, om een stom voorbeeld te geven, hun mening vormen over staatskundige zaken op basis van wat de pregón roept"—wat ik razendsnel in belleman vertaal—"dan doet degene die de belleman af en toe een paar reales de plata in de zak schuift onherroepelijk, en achter de schermen, een greep naar de macht. Niets aan de hand als de mensheid weerbaar is, maar uh… erg weerbaar komt ze in 2025 niet op me over.”
Terwijl ik pieker over een bijdehand antwoord, neemt Júlia een slok van haar infusie. Haar gezicht betrekt en ze roept uit: ”Wat is dit? Dit is warm water met een rare smaak! Geen gember, geen munt, geen tijm, geen rozemarijn en geen honing! Zelfs geen kamille!”
“Ach, het uh...” stotter ik, geschrokken van Júlia’s plotselinge drift, “het gaat toch allang niet meer om de smaak van die infusie; het gaat erom dat mensen die infusie kopen.”
“Maar dat doet toch niemand als een kamille-infusie geen kamille-infusie is?”
“Hu-hum…” breng ik uit op het moment dat aan een van de tafeltjes in het café een ruzie lijkt uit te breken. Júlia vervaagt. Ik frummel de munt van twee euro uit de pijp van mijn wielrenbroek, leg hem op de toog en staar verbouwereerd naar de euro en tien cent die een kelner ervoor in de plaats legt. Dan grinnik ik inwendig. Niet omdat ik de tweede koffie die ik graag had willen bestellen gewoon had kunnen bestellen, maar omdat ik me realiseer hoe zoet voor Europeanen alleen al de gedachte aan de euro was en hoe bitter de gevolgen van de invoering ervan zijn …



