De berg komt niet naar Mohammed …
- Nikko Norte

- 26 jul
- 10 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 3 dagen geleden
Ongegeneerd blèr ik mee met Creedence Clearwater Revival’s Looking out my back door, trots dat het me zonder Heidi’s hulp is gelukt via de autoradio de muziek op mijn telefoon af te spelen. Tot niet lang geleden had ik een iPad of -Pod. Heidi zorgde dat de klassieke en jaren-60- en -70-muziek die ik kocht via mijn computer over twee playlists verdeeld op die iPadPod belandde. Snoertje in de autoradio, playlist kiezen, random kiezen ... muziek. Maar iPadPod is niet meer. Ik doe het nu met Spotify en van Spotify begrijp ik niets, hoewel ik besef dat ik vooruitgang boek als ik mezelf hoor bléren: “Bother me tomorrow; today, I'll buy no sorrow,” en ook besef dat ik door een whiteout rijd, niet door dichte mist.
Met een slakkengang waarmee ik hoop dat tegenliggers ook rijden, gaat het op een landweg heuvelop naar Vilvestre, een dorp aan de kloof waardoor de rivier de Duero stroomt, die Spanje en Portugal hier van elkaar scheidt. Net als ik besluit de berm in te sturen en te wachten tot ik weer iets zie, rijd ik de herfstzon in, de hemel fletsblauw.
“Look at all the happy creatures dancing on the lawn,” blér ik en ik schrik als ik acht, negen monniksgieren rond een karkas naast de weg zie huppen. Ik stuur alsnog de berm in, houd halt, verbaas me dat de gieren—nu zo’n vijftien meter voor me—niet wegvliegen en als ik na een korte stilte, terwijl ik in een vak boven het stuur naar mijn verrekijker graai, Esther Ofarim That’s my song hoor zingen, roert zich de chagrijnigheid die me al maanden op de hielen zit.
Mijn verrekijker scherpstellend op de kop van een gier probeer ik me te concentreren op Ofarims stem, de mooiste stem die ik ken, maar de chagrijnigheid die zich roert, roert zich overtuigend en als na weer een korte stilte, de rauwe stem van Camarón de la Isla door de auto galmt, geef ik me aan die chagrijnigheid over, wat me er niet van weerhoudt inwendig te grinniken als mijn gedachten naar gistermiddag dwalen, naar het moment dat ik Heidi vroeg waarom mensen ons filmden.
“Mensen filmen ons niet,” antwoordde Heidi zonder haar blik af te wenden van wat zich voor ons voltrok.
“Mensen filmen ons niet …?”
“Mensen filmen Boris,” en ik keek naar Boris de kleine terriër, op mijn schoot, die elke beweging volgde van de vaca, de koe, voor ons op het zand. Van links naar rechts en vice versa bewoog zijn kop, zijn nek iets gestrekt alsof hij niets wilde missen.
Sinds Heidi en ik eind juli in het dorp Montelobado belandden, een kwartier rijden vanwaar ik nu naar monniksgieren staar, kunnen we zonder ver te reizen een paar keer per week een corrida of novillada bijwonen. Dat kon ook in Antequera, in Andalusië, waar we woonden voordat we in Montelobado belandden, maar ik was terughoudend me in de richting te bewegen van el mundo taurino, de wereld van de toros bravos, een wereld waarvan ik ooit deel uitmaakte en waarvan ik abrupt en onvrijwillig afscheid nam. Na onze aankomst in Montelobado schudde ik die terughoudendheid van me af en in arena’s in de steden Guijuelo, Vitigudino, Béjar, Salamanca en Ledesma zagen Heidi en ik grote goden optreden. Op tot arena omgebouwde dorpspleinen zagen we minder grote goden optreden en gistermiddag, op uitnodiging van een kennis, woonden we een besloten evenement bij op een ganadería, een fokkerij voor toro’s bravo. Prachtige ganadería! Naast het hoofdgebouw een kleine ring, noem het een miniarena, met eromheen wat zitplaatsen, die ondanks dat het december is—december 2025—voornamelijk waren bezet door toeristen.
Aan tientallen tentaderos nam ik deel toen ik nog deel uitmaakte van el mundo taurino. Tijdens een tentadero laat een fokker van toro’s bravo, een oeroud stierenras, vier, vijf of zes van haar of zijn één tot twee jaar oude vaca’s door een matador testen op hun bravura, hun bereidheid aan te vallen, wat niet helemaal correct is, omdat de kans klein is dat het een vaca van het ras toro bravo aan bravura ontbreekt. Tijdens een tentadero—correcter—beoordeelt een fokker welke van de geteste vaca’s aanvalt op een manier die haar of hem aanstaat. Alleen met díe vaca’s fokt een fokker en dat bepaalt in een arena het verschillende aanvalsgedrag van stieren van verschillende fokkers. Vrijwel alle vaca’s van het ras toro bravo krijgen de kans tijdens een tentadero hun bravura te demonstreren. Bij de stieren komt geen mens in de buurt tot ze op vier- of vijfjarige leeftijd in een arena de laatste twaalf minuten van hun leven het aanvalsgedrag vertonen dat hun moeders aan ze hebben doorgegeven.
Het evenement dat Heidi en ik gistermiddag bijwoonden, was geen tentadero. Een fokker gaf vier leerlingen van Salamanca’s escuela taurina, Salamanca’s school voor matadors, de gelegenheid ieder één van vier vaca’s te confronteren waarvan hij zonder dat ze tijdens een tentadero waren getest, had besloten er niet mee te fokken. Ook tijdens dat evenement roerde mijn chagrijnigheid zich en het kostte me geen moeite de toeristen rond de ring daarvan de schuld te geven. El mundo taurino is een ingetogen wereld, geen toeristische attractie, wat niet wegneemt dat ik begrip heb voor de fokker met wie Heidi en ik gistermiddag kennismaakten, die, door de zaken aan te pakken zoals hij dat doet, zelfs waarde geeft aan de bravura van vaca’s die anders roemloos aan het slagersmes ten prooi zouden vallen.
Vier knapen, zeventien, achttien jaar oud, kregen de zeldzame kans oog in oog met een vaca een poging te doen een publiek te beroeren, anders dan oog in oog met imaginaire stieren niemand te beroeren, wat de gebruikelijke manier is waarop matadors en jongelui met de ambitie ooit matador te zijn zich voorbereiden op hun volgende of eerste confrontatie met een stier in een arena of op een tot arena omgebouwd dorpsplein. Daarnaast, tegen een vergoeding uiteraard, beleefden de toeristen die uit twee touringcars waren gestroomd een interessante middag.
De ganadería ademde de gebruikelijke ingetogen sfeer uit en de knechten, geruite petten op het hoofd, hun gezichten gebruind, de pijpen van hun spijkerbroeken opgerold tot halverwege de schachten van hun leren laarzen, droegen bij aan die sfeer terwijl ze in de kralen naast de ring stalen deuren open en dicht trokken en duwden tot de eerste vaca het okerkleurige zand in de ring opstormde. Het geroffel van hoeven op het zand. Het stof dat opstoof van onder die hoeven. De grazende vaca’s en stieren in de uitgestrekte weilanden rond de ring …
Ondanks de toeristen om ons heen voelde ik me bij vlagen teruggevoerd naar een van de mooiste periodes van mijn leven, hoewel ik wat aspecten miste van de tentadero’s waaraan ik ooit deelnam. Geen picador op zijn geharnaste paard en geen banderillero’s in geconcentreerde afwachting van het eventuele moment hun matador te hulp te moeten schieten. Geen matadors in hun trajes cortos, hun elegante ruiterkostuums, maar vier knapen in spijkerbroeken en in de shirts van hun favoriete voetbalclub. Geen fokker die op gedempte toon instructies gaf aan een matador maar familieleden die luid aanmoedigingen riepen naar een knaap op het zand. Geen onderdrukte biens en olés van een handvol genodigden maar het rumoer van honderd toeristen. Net als tijdens een tentadero draafde elke vaca de weilanden in na een kwartier een roze capote en daarna een rode muleta te hebben nagejaagd en nadat een knecht een lage, houten deur in de witgeschilderde stenen muur rond het zand had geopend.
Vaca’s zijn kleiner dan volwassen stieren. Ze zijn vaak goed bewapend en verwonden of doden een mens met vrijwel hetzelfde gemak als volwassen stieren dat doen. Geen ongelukken gistermiddag en dat verbaasde me. De knapen die ik op zag treden, blaakten van zelfvertrouwen, maar in hun optreden ontdekte ik niets wat blijk gaf van gedegen voorbereiding. Hetzelfde was me opgevallen toen Heidi en ik mindere goden op zagen treden in tot arena omgebouwde dorpspleinen—en ongeluk na ongeluk zagen gebeuren.
Jarenlang, bij wijze van voorbereiding, capote of muleta in de hand, confronteerde ik zes, zeven, soms acht uur per dag imaginaire stieren. Daarnaast—en als deel van onze arbeidsovereenkomst—joeg een van mijn banderillero’s ten minste twee uur per dag mijn capote of muleta na, voorovergebogen, een buis in de handen waarop aan beide uiteinden een stierenhoorn was geducttapet, en … ik schrik opnieuw en weet niet of de gier die een enorm bot haar of zijn keel in laat glijden daarvoor verantwoordelijk is of het plotselinge besef dat het geen chagrijnigheid is die me al maanden op de hielen zit maar in chagrijnigheid verpakte jaloezie. Ik uh… ik had niet in de schaduw kunnen staan van de grote goden die Heidi en ik de afgelopen maanden in arena’s op zagen treden, maar ik was—ben, nondeju!—beter dan de knapen die ik op zag treden op tot arena omgebouwde dorpspleinen en gistermiddag op die ganadería.
Veel jonge mensen geven me de laatste jaren het gevoel dat willen volstaat de berg ertoe te verleiden naar Mohammed te komen. Ik ben de laatste die de potentie van willen ontkent, maar willen zonder opoffering zal nooit tot iets genoegzaams leiden en al helemaal niet tot het zijn van matador. En dat zou de corrida—ongevoelig voor de kritiek van mensen die door het cellofaan waarin gebraden kip is verpakt slechts iets zien wat ze het water in de mond doet lopen—de das om moeten doen. Niets doet de corrida de das om, want el toro arregla todo, wat zoveel betekent als dat de stier het laatste woord heeft, alle agressiviteit die zijn moeder aan hem heeft doorgegeven in een oogwenk aanwendbaar—agressiviteit die geen westerse moeder nog aan haar kind doorgeeft, wat het Westen eerdaags de das omdoet.
Overal in Spanje, Zuid-Amerika, Portugal en Frankrijk zijn nog jongelui die begrijpen dat geen school—en dus ook geen escuela taurina—tot werkelijk succes en geluk leidt. Die jongelui doen wat ik deed. Ze koppelen willen aan opoffering, trainen, trainen en trainen, muziek van Camarón de la Isla op de achtergrond, en sommigen van hen zullen ooit grote goden in arena’s zijn, een gedachte die mijn chagrijnigheid naar de achtergrond drukt, daarbij geholpen door de Dire Straits, die hun Sultans of swing door de auto laten dreunen.
Een vrachtauto dendert voorbij. Met lompe vleugelslagen vliegen de gieren op. Ik zet de autoradio uit, ondanks dat ik dezelfde beroering voel die ik voelde toen ik Sultans of swing voor het eerst hoorde—veertien jaar oud, kantine van het Libanon Lyceum in Rotterdam, waar ik, niet in die kantine maar op het Libanon Lyceum, zes jaar onvrijwillig toezag hoe succes en geluk zich verder en verder van me verwijderden—stop mijn verrekijker terug in het vak boven het stuur, rijd verder en parkeer een paar minuten later voor de deur van een kaasfabriek in Vilvestre.
“Requesón?” roept de kaasboer, opkijkend vanachter een stalen kuip waarin mechanischaangedreven lepels door geitenmelk roeren.
“Por favor,” roep ik terug.
“Kilo?” vraagt de kaasboer terwijl hij naar de balie loopt.
“Kilo,” antwoord ik en weer een paar minuten later rijd ik met een slakkengang de whiteout weer in, op de bijrijdersstoel een kilo requesón, een eiwitrijk bijproduct van het maken van geitenkaas.
Net voordat ik Montelobado in rijd, rijd ik de whiteout uit en eenmaal in het dorp zie ik dat medewerkers van de gemeente, onder leiding van een concejal, een gemeenteraadslid, tegenover ons tijdelijke huis op het dorpsplein in de weer zijn met het als kerstboom decoreren van een vijf, zes meter hoge, conische draadstaalconstructie die een paar dagen geleden op het dorpsplein is neergezet, wat, registreer ik als ik uit de auto stap, niet helemaal correct is omdat in wat gestalte krijgt geen kerstboom is te herkennen. Medewerkers van de gemeente—correcter—omwikkelen de draadstaalconstructie met een sliert gedroogde strohalmen en in plaats van een kerstboom krijgt een meiboom gestalte.
“Te gusta vind je het wat?” roept de concejal. Ik kijk nog eens goed naar wat tot Driekoningen deels mijn kerstgemoed bepaalt, vraag me af waarom de westerse mens zich wat haar of hem positief beroert met zoveel hartstocht af laat nemen, roep terug: “No, no. No tiene nada que ver con Navidad het heeft niets met kerstmis te maken!” en terwijl ik naar onze voordeur loop, bedenk ik inwendig grinnikend dat Franco’s dictatorschap niet tot de eerstvolgende Driekoningen zou hebben standgehouden als hij ooit had verordend dat kerstbomen door meibomen vervangen dienden te worden. Logisch, want Spaanse moeders in Franco’s tijd gaven nog gepast aanvalsgedrag door aan hun kinderen en Franco kon zich dientengevolge geen misstap veroorloven …
Ondanks dat we van de daken schreeuwen hoe succesvol en gelukkig we zijn in onze democratieën laten we ons machteloos zelfs onze kerstboom afnemen en opnieuw inwendig grinnikend, mijn gedachtesprongen ook voor mij soms lastig te volgen, vraag ik me af hoe het de mensheid zou zijn vergaan als alle Europeanen “Nee, nee” hadden geroepen toen overheden in 1916 de zomertijd invoerden, als alle olympiërs “Nee, nee” hadden geroepen toen de Nederlandse turner Yuri van Gelder in 2016 van deelname aan de olympische spelen werd uitgesloten, als niet alleen in het Nederlandse Urk, maar overal ter wereld iedereen “Nee, nee” had geroepen toen overheden in 2020 verordenden dat lapjes stof voor het gezicht dienden te worden gedragen om de slagkracht van een virus in te perken, als … onze voordeur zwaait open. Boris springt tegen me op en als Heidi naar buiten stapt, besef ik dat ik pas koffiedrink na een wandeling met Boris.
Requesón in de koelkast struinen Heidi, Boris en ik door de velden rond Montelobado. Naast schapen en koeien, grazend in met eeuwenoude stenen muren omheinde weilanden, het gras groen van de recente regen, zien we roofvogels, herten, vossen en zelfs twee Egyptische mangoesten. Als ik vertel dat ik een gier een enorm bot in zag slikken, zegt Heidi, haar gedachtesprongen nog lastiger te volgen dan die van mij: “Ik wil niet dat die kerstboom vannacht iets overkomt.”
“Toen iemand een aanslag pleegde op Ronald Reagan,” antwoord ik prompt, “noemde Freek de Jonge dat een democratische impuls.”
“Nik, ik weet wat je van die kerstboom vindt en ik denk dat het hele dorp het met je eens is. Maar die kerstboom is niet ons probleem. Wat ons probleem is—wat een van onze problemen is—is dat je gisteravond met Salvador hebt gebeld, je oude mos… moso …” “Moso de espadas,” vul ik aan.
“Die!” zegt Heidi. “Ik ga ervan uit dat je hem hebt gevraagd je doeken en zwaarden op te sturen.”
“Hm…”
“Ik weet dat je de arena weer in wilt. Maar we weten allebei dat je de vijfentwintig keer die je op moet treden om je alternativa aangeboden te krijgen niet overleeft.”
“Huh…?”
“Doe nu niet net of je dom bent. Je wilt alsnog je alternativa aangeboden krijgen en dat is onmogelijk. Train zoveel je wilt, als dat een einde maakt aan je chagrijnigheid, maar het vinden van een huis, het bouwen van studio’s voor het filmen van holbewonercodevideo’s en het uitgeven van je boeken in het Spaans en Engels hebben nu prioriteit. Ik begrijp soms niets van wat je altijd weer in je hoofd haalt,” en in mijn gedachten hoor ik Esther Ofarim zingen: “It's been a good life, but there still is that yearning … that’s my song … hm, hm, hm… that’s my song … hm… hm, hm, hm…”
Meer lezen? Neem een kijkje in de webshop.



