Het mysterie Kemna …
- Nikko Norte

- 21 jun 2025
- 11 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 23 jan
“Son tan importantes, músculos grandes?” vraagt ons buurmeisje vanuit haar deuropening als ik haar met mijn fiets in de hand voorbijloop. Vijf-, zesentwintig jaar oud. Elke ochtend vertrekt ons buurmeisje rond halftien op een elektrische step, helm op haar hoofd. Elke avond komt ze net na acht uur thuis en een kwartier later horen Heidi en ik de brommer van de pizzabezorger komen en gaan. Twee dagen per week is ons buurmeisje thuis. Ze volleybalt niet op het strand van Málaga, lacht niet met vrienden in een café, maar ze is thuis. Ze brengt vuilniszakken met lege pizzadozen naar de vuilcontainer, schrobt de vloer van haar huis, schrobt de stoep waarover ik loop en draait vier, vijf, soms zes wassen en telkens als Heidi en ik op haar volgehangen droogrek stuiten, vragen we ons af of we iets verkeerd doen met die ene was per anderhalve week die we draaien.
Son tan importantes, músculos grandes, zijn grote spieren zo belangrijk? Ondanks mijn slechte humeur bedwing ik een grijns als ik bedenk hoe mensen ons buurmeisje lachend zouden hebben nagewezen als ze vijfentwintig was geweest toen ik vijfentwintig was. Niet omdat mensen destijds onaardig waren, maar omdat ze zouden hebben verondersteld dat ons buurmeisje expres een clown van zichzelf maakt door centimeters lange, in wilde motieven geschilderde stukken plastic op haar vingernagels te plakken, door haar gezicht zo dik te poederen dat het geplamuurd lijkt, door haar ogen blauw en roze te schilderen, door lange nepwimpers te dragen en door haar eigenaardig dikke lippen voortdurend signaalrood te stiften.
Als ons buurmeisje geen pizzadozen naar een vuilcontainer brengt, schrobt, wast of pizza eet, praat ze in haar telefoon of houdt ze die telefoon met een gestrekte arm voor zich, haar hoofd schuin, haar lippen getuit, zoals ik dat jonge vrouwen regelmatig zie doen in het Spaanse Antequera, waar Heidi en ik inmiddels alweer drie maanden wonen. Krijgt ons buurmeisje Heidi of mij in het oog, dan probeert ze een gesprek aan te knopen over niets. Maar Heidi en ik zijn geen aficionado’s van gesprekken over niets en sinds dat kwartje bij ons buurmeisje is gevallen, probeert ze mij uit mijn tent te lokken op een manier die me doet vermoeden dat het de bedoeling is dat ik op een dag voor een filmende telefoon uit mijn slof schiet. Ze heeft me waarschijnlijk gehoord toen ik vanmorgen met mijn halters stoeide op onze patio en zonder mijn pas in te houden, antwoord ik beleefd: “Sabes lo qué es la sarcopenia weet je wat sarcopenie is?”
“Heb je daar last van, dan?”
“Yo no ik niet!” zeg ik over mijn schouder terwijl ik op mijn fiets spring—eigenlijk Heidi's fiets—en door een smalle straat de heuvel af dender waarop Heidi, ons buurmeisje en ik wonen onder het kasteel van Antequera.
Dreigende bewolking. Geen regen. Maar de kinderkopjes waarop ik heuvelaf dender, zijn nog nat van de regen van vannacht en het is te laat als tot me doordringt dat ik ten minste zo hard rijd als eergisteren, toen ik ontdekte dat die kinderkopjes glad zijn als ze nat zijn—en onderuitging. Een bocht komt angstig snel op me af. Ik rem voorzichtig, rem en rem, laat de bocht achter me en fiets het centrum van Antequera binnen, waar me opvalt dat weinig mensen de overheidswaarschuwing serieus hebben genomen en vanwege mogelijk slecht weer thuis zijn gebleven.
De trottoirs links en rechts van me zijn druk bevolkt en ik besef dat mensen die overheidswaarschuwing juist wel serieus hebben genomen en haar hebben geïnterpreteerd als: ga niet werken of naar school. Voornamelijk jonge mensen slenteren over hun telefoons gebogen over de trottoirs en alsof mijn humeur niet slecht genoeg is, voel ik dat die jonge mensen een onaangenaam sensatie van onbegrip in me wakker roepen. Waar strakke leggings de mode zijn voor de jonge vrouwen die ik zie, zijn trainingsbroeken de mode voor jongemannen. In de leggings vallen enorme achterwerken en dijen op, die niet het resultaat zijn van af en toe stoeien met halters; in de trainingsbroeken valt het ontbreken van achterwerken en dijen op, wat het resultaat is van niet af en toe stoeien met halters. De bovenarmen van de meeste jongemannen zijn zo dik als mijn polsen—sarcopenie vergevorderd—hun witte gezichten glimmend van de Olay—klinisch bewezen—hun wenkbrauwen tot streepjes geëpileerd en gitzwart geverfd, hun baardgroei tot lijntjes getondeuserd en hun haar—militair kort, dat wel—keurig gecoiffeerd.
Misschien, bedenk ik, is het een Antequeraans fenomeen, die combinatie van lichamelijke verwaarlozing en nadruk op uiterlijk boven de schouders—en op nagels—en opnieuw onderdruk ik een grijns als ik denk aan de keren dat ik op de lagere school naar de gang werd gestuurd omdat ik inging tegen juffen en meesters die propageerden dat uiterlijk onbelangrijk is in relaties tussen mensen. Toch is er voor wat de jonge mensen betreft die ik zie op trottoirs waarschijnlijk in het geheel geen sprake van een fenomeen. Aannemelijker is het dat mijn slechte humeur die jonge mensen in een kwaad daglicht stelt.
Vrijdag 8 november 2024. Een Nederlandse vriend overleed vorige week. Vandaag wordt hij begraven. Gisteren meldde ik me op de luchthaven van Málaga voor een vlucht naar Amsterdam. Mijn paspoort verliep al in oktober en ik was ervan overtuigd geweest dat ik binnen Europa nog vijf jaar kon reizen op een verlopen paspoort.
“Tienes que reír más y creer en ti mismo je moet meer lachen en in jezelf geloven,” beet ons buurmeisje me vanuit haar deuropening toe toen ik terug van de luchthaven gefrustreerd langs haar volgehangen wasrek naar de deur van onze patio liep.
“Tienes razón je hebt gelijk,” had ik beleefd geantwoord zonder mijn pas in te houden. “A partir de mañana voy a manifestar lo fabuloso que soy vanaf morgen ga ik manifesteren hoe fabuleus ik ben.”
Antequera heb ik achter me gelaten. Langzaam gaat het op een landweg heuvelop en ik denk aan hoe ik dertig jaar geleden, nadat ik wat rolletjes speelde in commercials en televisieseries, een grote koker met daarin een handgeschreven brief en een foto van mezelf naar een adres in Amsterdam stuurde. Drie weken later vond ik een enveloppe in de brievenbus van mijn appartement in het oude centrum van Marbella, in die envelop een brief, getypt op een mechanische typemachine—sommige letters hoger dan andere—tipp-ex over sommige woorden, handgeschreven correcties in de kantlijn. Een uitnodiging eens langs te komen bij Hans Kemna Casting, getekend: Hans Kemna.
Een paar weken later, na een vlucht vanuit Spanje en een korte treinreis, stapte ik in Amsterdam schuchter op de Herengracht 24 de burelen van Hans Kemna Casting binnen. Meubilair van Gispen en ingelijste foto’s aan de wanden van film- en televisiepersoonlijkheden. Een vriendelijke vrouw stelde zich voor als Betty en liet me weten dat Hans het telefoongesprek dat hij voerde snel zou afronden en dat collega Job druk was met een casting in de achterkamer.
“Kind, wat leuk dat je er bent!” riep Hans Kemna uit alsof we elkaar al jaren kenden nadat hij de telefoon had opgehangen, waarna hij uitlegde dat acteren een vak is. Pas op dat moment realiseerde ik me hoe onzinnig mijn missie was en ik slikte mijn protest in. Stom toeval had me in Spanje en Amerika de filmwereld in doen belanden. Leuk, maar ik wist dat het me aan acteertalent ontbrak en—erger—ik voel me ongemakkelijk als mensen hun aandacht op me richten, laat staan een camera. Ik had mezelf wijs gemaakt dat ik me acterend in het Nederlands minder ongemakkelijk zou voelen en terwijl Hans de mogelijkheden opsomde me het acteervak eigen te maken, dwaalden mijn gedachten naar zaken die ik liever deed dan acteren.
Hans’ uiterlijk had verraden dat hij een man was om paarden mee te stelen. Onbevreesd, intelligent—ondanks wat geacteerde stunteligheid—en gezegend met die sluimerende hoewel goed gecontroleerde agressie die typerend is voor echte vrouwen en mannen. Gecharmeerd van de geamuseerdheid in zijn ogen las ik in die ogen dat hij in mijn ogen las dat ik vier seconden eerder mijn Nederlandse acteerambities had opgegeven. Hij staakte zijn opsomming en stelde voor die avond samen iets te eten en daarna een toneelvoorstelling te bezoeken.
Sinds die dag spraken we steevast af als ik in Nederland was en terwijl de regen die losbarst me in een oogwenk doorweekt, denk ik aan hoe onze avonden doorgaans begonnen in de keuken van het huis van Hans en zijn echtgenoot Adrian Brine aan het Singel in Amsterdam. Adrian zette thee voor me in een samowar, schonk zichzelf een glas whisky in en schonk Hans een glas rode wijn in. Tot het tijd was de straat op te gaan, praatten we aan de keukentafel over boeken, toneel en film. We aten iets in l'Entrecôte et les Dames, in Café Amsterdam of bij George in de Theeboom waarna we een toneelvoorstelling bezochten en na die voorstelling met de acteurs spraken. Vaak sliep ik ’s nachts op de bank in de woonkamer van Hans en Adrian, een woonkamer die veel weghad van een museum voor moderne fotografie. Soms reisden Hans en ik naar Antwerpen, Brussel of Parijs om daar een toneelvoorstelling te zien die Adrian regisseerde. Geen groter plezier deden we Adrian dan steak tartare te eten in La Taverne du Passage in Brussel en Adrian deed mij geen groter plezier dan met me te praten over Russische literatuur terwijl we steak tartare aten in La Taverne du Passage.
Praten is niet mijn hobby, maar met Hans en Adrian praatte ik honderduit, hoewel niet als we op zondagmiddag—als het weer meezat—het landje bezochten, een klein weiland aan een vaart onder de rook van Amsterdam. In die vaart lag een oude woonboot en in die woonboot of in het weiland ervoor dronken we thee terwijl Adrian het script las van een volgend toneelstuk dat hij regisseerde en Hans en ik de boeken lazen die we bij ons hadden tot het tijd was terug te rijden naar Amsterdam, wat te eten in een reataurant en een toneelvoorstelling te bezoeken en ik grinnik inwendig als ik denk aan hoe Hans naar mij grinnikte toen ik hem vroeg, nadat ik hem in een theater in Haarlem zichzelf had zien spelen in de toneeloorstelling Galleryplay, of hij op de toneelschool net zoveel had gespijbeld als ik dat had gedaan op het Libanon Lyceum in Rotterdam—waar, ontdekten we jaren nadat we elkaar hadden leren kennen, de broer van Hans mijn conrector was.
Hans bezocht me af en toe in Spanje, filmde me tijdens één van mijn optredens in een arena—waar ik druk met andere zaken zelden in de gaten had dat mensen hun aandacht op me richtten—en af en toe vloog ik naar Antalya, in Turkije, waar Hadji, een vriend van Hans en Adrian, me ophaalde van de luchthaven en me naar het kleine vakantiehuis reed van Hans en Adrian in het oude centrum van het dorp Side. Zelfs in Side zagen we toneelvoorstellingen—in een oud Romeins amfitheater—en terwijl tot me doordringt hoe mijn leven aan kwaliteit zou winnen als ik thuisblijf als de overheid me waarschuwt voor mogelijk slecht weer dwalen mijn gedachten naar en terras op de kade van de haven van Antalya, waar Hans me ooit met tegenzin verhaalde over een gewelddadige beroving in Barcelona waarvan hij het slachtoffer was geweest. Hij had aan die beroving een blijvende kwetsuur overgehouden—waarover ik zo dom was geweest iets te vragen—en beschaamd denk ik aan de Nederlandse militairen met wie ik diende in Afghanistan die al jaren PTSS huilen en niet de helft meemaakten van wat Hans tijdens zijn beroving meemaakte.
Water spat van onder mijn voorwiel in mijn gezicht als ik voorbij een bocht El Kiosko ontwaar, de gezelligste venta in de wijde omgeving en het doel van mijn tocht. Een kleine twee uur heb ik erop zitten en ondanks een paar klimmetjes, realiseer ik me dat het voornamelijk heuvelaf ging, wat betekent dat het terug naar huis voornamelijk heuvelop gaat. Plotseling rillend van de kou denk ik aan de vijf euro die Heidi in een vak van mijn rugzak stopte, maar ik weet dat ik me schuldig voel als ik me vandaag trakteer op koffie in El Kiosko. Ik draai mijn fiets om, rijd een paar honderd meter terug langs een van de vrijwel lege stuwmeren van Ardales, steek een landtong over en rijd langs een ander stuwmeer tot ik op een brug over een beek stuit. Ik til mijn fiets over de vangrail, roetsj het talud af, kruip langs de beek onder de brug, graai in mijn rugzak naar wat ik nodig heb om koffie te zetten en ontdek dat Heidi ook een sweater in mijn rugzak heeft gestopt …
Water uit de beek raakt an de kook in de ketel op mijn gasbrander en ik denk aan de reis naar New York die Hans en ik ooit maakten om de première bij te wonen van een voorstelling die Ivo van Hove daar regisseerde. We lunchten op een terras in Little Italy toen ik voorstelde een vlucht over Manhattan te maken.
“Natuurlijk …” had Hans met een opgetrokken wenkbrauw geantwoord. Twee dagen later zat hij naast me in een Cessna 152 an het begin van een van de twee startbanen van Teterboro Airport, in New Jersey, waar we over de Washington Bridge naartoe waren gereden in de Mustang die ik huurde.
Schuin voor ons stond een Gulfstream, die via de radio permissie kreeg om op te stijgen. Terwijl ik onze pre-takeoff-checklist afwerkte, voelde ik hoe Hans met een schuin oog naar me keek. Totdat we in die kleine Cessna stapten, was hij ervan uitgegaan dat ik een grap met hem uithaalde. Pas toen we permissie kregen om op te stijgen, realiseerde Hans zich dat ons avontuur werkelijk was. Maar Hans was geen bange man. Terwijl ik onze vliegmachine in oostelijke en daarna in noordelijke richting liet stijgen, schikte hij zich in zijn lot en zette hij de camera aan waarvan hij destijds onafscheidelijk was. Ik nam gas terug, stuurde opnieuw naar het oosten en uiteindelijk volgden we de rivier de Hudson in zuidwestelijke richting. Hans keek me pas weer met een schuin oog aan toen ik via de radio van iemand een schrobbering kreeg omdat ik over de East River vloog, waar president Clinton, kregen we te horen, zou landen in een helikopter.
“Heb je iets verkeerd gedaan, kind?” klonk Hans’ stem in mijn headset.
“Natuurlijk niet,” antwoordde ik naar waarheid. “We vliegen boven de Hudson, niet boven de East River.”
“Waarom zeg je dat dan niet?”
“En ruziemaken met de secret service?”
“Hm…”
Ter hoogte van de fakkel cirkelden we rond de Lady—zoals piloten het Vrijheidsbeeld noemden op de frequentie van Hudson River Traffic—waarna we de Hudson in omgekeerde richting volgden en zwaaiden naar de mensen die we achter de ramen van de Twin Towers vermoedden.

Weggekropen in mijn sweater giet ik kokend water op de koffie in de filter op de rand van mijn Stanleythermos, die ik tussen twee stenen heb geklemd, en ik denk aan de avonden die ik doorbracht met Hans en Adrian voordat ik weer voor lange tijd naar Afghanistan vertrok. Meestal aten we in de Theeboom en na het eten zat ik ingeklemd tussen Hans en Adrian op de bank in hun woonkamer en keken we, als gold het een ritueel, het filmpje dat Hans ooit maakte van ons vliegavontuur in New York. Ik sliep op die bank, trok ’s morgens mijn uniform aan, gooide mijn rugzak over mijn schouders, wandelde naar het station, nam een trein naar Eindhoven en vloog vandaar oostwaarts …
Adrian zag ik voor het laatst in 2016. Grumpyvrolijk—typisch Adrian—opende hij de deur aan het Singel. We dronken thee, whisky en rode wijn in de keuken en Adrian gaf toe dat hij nerveus was voor de rol van oude priester die hij de volgende dag in Brussel in een televisieserie zou spelen. Adrian overleed een paar weken later en terwijl ik een slok koffie neem, laat ik eindelijk mijn tranen de vrije loop en realiseer ik me voor het eerst in dertig jaar dat elk moment dat ik met Hans en Adrian doorbracht een moment was van mysterieuze rust. We praatten of praatten niet, maar er was altijd rust en mijn gedachten dwalen naar Heidi, die er zeker van is dat onze ziel voortleeft na ons overlijden. Ik uh… ik ben een simpele atheïst maar voel me niet bezwaard soms te piekeren over Heidi’s ideeën over voortlevende zielen. Veel mensen, zoals ons buurmeisje, komen zielloos op me over. In andere mensen heb ik soms het gevoel dat ik stuiterende, piekerende of berustende zielen bespeur.
Nooit ontmoette ik iemand in wie ik een berustender ziel bespeurde dan Hans Kemna. Hij had het allemaal gezien en beleefd, maakte zich nergens meer druk om en het mysterie dat ik achter zijn berusting meende waar te nemen, was een onuitgesproken maar intense waardering voor het moment, wat, zoals ik het zie, het grootste goed is voor een al dan niet voortlevende ziel. Niets bracht Hans van zijn stuk, ook de dood niet, maar onze avonturen zijn voorbij en met Hans is een van de laatste echte mannen, een man om paarden mee te stelen, heengegaan …
Aan twee kanten begrenst een tapijt van regen mijn droge zitplaats onder een brug terwijl ik verdrietig mijn koffie drink. Ik neem nog een slok en geef de thermosdop waaruit ik drink aan Hans, die naast me zit in de kakikleurige camouflagejas die ik hem ooit gaf. Als ik hem verdrietig aankijk, zie ik dat de geamuseerdheid niet uit zijn ogen is verdwenen. Hij heft de thermosdop bij wijze van toost en zegt: “Kind, maak je niet druk. Ik ben terug voor je het weet …”



