De kaas is voor de tweede muis …
- Nikko Norte

- 11 jun
- 11 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 29 jun
“Wat …!” roept Heidi uit als ik haar wegduw. Ze bewaart haar evenwicht, draait zich naar me om en schiet in de lach. Ik sta op mijn rechterbeen, mijn linkerbeen opgetrokken, en aan de hand van mijn uitgestrekte rechterarm bungelt Boris de kleine terriër in zijn tuigje. Heidi volgt mijn blik naar de koeienvlaai naast me, die zich zojuist ontrolde en naar mijn been hapte.
Het zandpad waarop we wandelen, kruist een landweg. Verkeer is er op die landweg zelden, maar komt er een auto voorbij, dan zet Boris de achtervolging in en dus lijnde ik hem zojuist aan. Net voordat we de landweg overstaken, bleek wat ik voor een koeienvlaai had aangezien een opgerolde slang te zijn, die naar mijn been hapte. Tegelijkertijd duwde ik Heidi weg, tilde ik Boris van de grond en trok ik mijn aangevallen been op. De slang rolde zich weer op en … “Dat is een forse slang,” onderbreekt Heidi mijn gedachten terwijl ik Boris en mijn been weer op de grond zet. Ik schuifel bij de slang vandaan en zeg: “Een wipneusadder kan het niet zijn; die worden niet zo groot. Waarschijnlijk …” “Hagedisslang,” valt Heidi me in de rede.
“Hoe …” “Sinds die toestand in Duitsland,” valt Heidi me opnieuw in de rede, “zoek ik als we op een nieuwe plek belanden even uit waar ik niet door gestoken of gebeten wil worden,” en mijn gedachten dwalen naar het hotel dat Heidi en ik ooit kochten en opknapten in de buurt van het Duitse dorp Hannoversch Münden. Zoals we dat elke dag deden, trokken we op een middag de achterdeur van het hotel achter ons dicht voor een wandeling. Moos de herdershond—die toen nog leefde—stak haar neus in een stapel autobanden in de tuin en nog dezelfde seconde sprintten we het bos in, een zwerm wespen op onze hielen.
Moos, nadat we de wespen hadden afgeschud, piepte af en toe klaaglijk. Wat zij niet wist en wij wel was dat het brandende gevoel van de wespensteken die we hadden opgelopen snel weg zou trekken. Maar een kilometer van huis zei Heidi dat haar oren jeukten. Kort daarop zakte ze in elkaar.
“Laat mij maar hier,” mompelde ze. “Het is okay. Zeg tegen de kinderen dat ik altijd van ze heb gehouden en zorg goed voor Moos,” en haar ogen draaiden weg.
Hoe het die middag lukte Heidi onder de douche te krijgen van de hotelkamer die we zelf bewoonden—ons appartement nog in aanbouw—herinner ik me niet. Wat ik me wel herinner, is de tweestrijd waarin ik verkeerde. Het was een lange weg naar de telefoon in de receptie. Veel keuze had ik niet. Ik liet Heidi alleen, rende door hallen, stoof trappen af en op, rende door het café dat bij ons hotel hoorde, belde 112, rende terug, vond Heidi onder de douche zoals ik haar had achtergelaten—rode vlekken op haar lichaam, nauwelijks in staat adem te halen—en was verrast toen ik al na een paar minuten een sirene hoorde.
Heidi en ik waren sinds onze aankomst in Duitsland met weinig pünktichkeit, gründlichkeit en zuverlässigkeit geconfronteerd, karaktertrekken, ontdekten we, die zich in Duitsers pas manifesteren als ze worden aangestuurd door iemand die de zweep erop legt. De drie ambulancebroeders die met ferme tred ons hotel binnenstapten, waren pünktlicher, gründlicher en zuverlässiger dan ik had durven wensen. Een broeder zette de douche uit en knielde over Heidi nadat ik “Mehrere Wespenstiche” had gezegd. Hij pakte een ampul en een injectiespuit uit de leren tas die hij bij zich had, stak de naald van de injectiespuit in de ampul, zoog de plunjer vol, keek naar me op en zei: “Adrenalin. Gut?”
“Bitte,” antwoordde ik en de naald verdween in Heidi’s bovenbeen. Nog een ampul kwam tevoorschijn uit de leren tas.
“Kortison. Gut?”
“Bitte.”
“Antihistaminicum. Gut?”
“Bitte.”
“Mehr adrenalin. Gut?”
“Was wenn es Ihre Frau wäre wat als het uw vrouw was?”
“Mehr adrenalin.”
“Bitte.”
Twee broeders tilden Heidi op een brancard. Ze stapten met de brancard tussen zich in met ferme tred door hallen, liepen trappen af en op en maakten me duidelijk, terwijl ze de brancard in de ambulance schoven, dat er voor mij in die ambulance geen plek was. Toen ze me toeriepen naar welk ziekenhuis ze Heidi zouden brengen en ik me via de zijdeur van de ambulance over Heidi boog om haar duidelijk te maken dat alles goed zou komen, tikte iemand me op een schouder.
“Entschuldigung,” zei een vrouw die achter me stond. “Wir haben im Hotel ein Zimmer gebucht we hebben een kamer geboekt in het hotel, aber es ist keiner da maar er is daar niemand.”
“Zodra mijn vrouw onderweg is naar het ziekenhuis,” antwoordde ik over mijn schouder, “werde ich Ihnen helfen zal ik u helpen.”
“Maar kun je ons niet ten minste binnenlaten en ons de kamersleutel geven?”
Duitsers! Geen dag zonder een dergelijk voorval en in de wetenschap dat ik Duitsers ermee op de kast joeg, zei ik over mijn schouder: “Ihr Zimmer ist kostenlos storniert uw kamer is kosteloos gestorneerd.”
“Was …!”
Heidi was aardig hersteld toen ik haar vond in het ziekenhuis waarnaar de ambulancebroeders me hadden verwezen. Een arts aan haar bed adviseerde haar de nacht in het ziekenhuis door te brengen omdat, argumenteerde hij, en ik wist dat hij gelijk had, een heftige anafylactische reactie soms bifasisch is.
Vroeg was ik de volgende ochtend weer in het ziekenhuis. Een andere arts stond aan Heidi’s bed. Hij opperde dat Heidi nog een nacht in het ziekenhuis zou doorbrengen en verhaalde vervolgens dat het bos gevaarlijker is dan mensen zich realiseren. Hij had zijn dochter verboden in het bos te spelen omdat er in het bos spinnen zijn die webben spinnen waarvan de spinseldraden bij aanraking dodelijk giftig zijn en … “Ich gehe nach Hause ik ga naar huis,” was Heidi de arts in de rede gevallen.
“Dat lijkt me onverantwoordelijk,” reageerde de arts hoofdschuddend. “Ich bin …” “Tödliche Spinnen!” viel Heidi de arts opnieuw in de rede. “Du spinnst.”
“Aber …” “Kunt u misschien,” viel ík de arts lachend in de rede, “uit onze naam het ambulancepersoneel bedanken?”
“Ach, diese Polen! Het zijn geen Duitsers, maar ze doen hun best.”
Terwijl ik omkijk naar de opgerolde slang steken we de landweg over. Ik laat Boris weer los en laat mijn blik over de omgeving glijden, tot een paar dagen geleden nog geelbruin en nu, na een paar dagen regen, groener dan groen. Ruim drie maanden wonen Heidi en ik inmiddels in Montelobado, een dorp in het Spaanse natuurgebied Arribes del Duero, ter hoogte van de stad Salamanca aan de grens met Portugal. We hebben het er naar ons zin en als het niet mijn naïviteit was die ons er heeft doen belanden, dan had Montelobado een voorlopig eindstation kunnen zijn.
Een half jaar geleden, rond de tijd dat Heidi en ik ons realiseerden dat Andalusië, waar toen nog woonden, ons geen toekomst bood, ontvingen we een bericht van een Belgisch-Spaans echtpaar uit Montelobado, waar het dorpsbestuur, dacht ik te begrijpen, alle zeilen bijzet om het tij van de ontvolking te keren. We bezochten Montelobado, zo'n zeshonderd kilometer vanwaar we woonden, en Heidi, op de terugweg naar Andalusië, schudde af en toe haar hoofd terwijl ik doorratelde over de ideeën die bij me opkwamen waarvan de uitvoering er mogelijk aan zou bijdragen dat mensen hun migratiepijlen op Montelobado zouden richten. Heidi’s scepsis ten spijt namen we op de laatste dag van juli 2025 de sleutel in ontvangst van het huis dat we tijdelijk in Montelobado zouden huren. Tijdelijk, want familie van het echtpaar dat onze interesse in Montelobado had gewekt, biedt in Montelobado een huis te koop aan dat voldoet aan alle eisen die Heidi en ik stellen.
De burgermeester van Montelobado, toen ik hem mijn make-Montelobado-great-againideeën voorlegde, keek me vol onbegrip aan en een van zijn concejales schamperde dat ik met geen van die ideeën genoeg geld zou verdienen.
“Pero no estoy hablando de dinero maar ik heb het niet over geld,” wierp ik tegen. Monden vielen open en in de veronderstelling dat iets bijbels weerklank zou vinden, grapte ik met de profeet Haggai in gedachten: “Als we Montelobado weer groot willen maken, moeten we de bergen in, hout verzamelen en de tempel herbouwen.”
Meer onbegrip en bij ieder mens met zelfs een ongemeubileerde bovenkamer zou een lampje zijn gaan branden.
Een week later nodigde het echtpaar dat onze interesse in Montelobado had gewekt me uit voor een samenkomst van dorpelingen, het doel van die samenkomst, dacht ik nu toch echt zeker te weten dat ik begreep, het bespreken van de toekomst van Montelobado. Tijdens een wandeling met Boris kostte het Heidi en mij wat moeite een uit een weiland ontsnapt schaap met haar of zijn kudde te herenigen—Boris niet echt behulpzaam—en een halfuur te laat glipte ik een zaal in het gemeentehuis binnen. Nog voordat ik me achter in die zaal onzichtbaar had kunnen maken, wenkte het echtpaar me een podium op en dat beviel me slecht. Ik kende niemand in Montelobado. Het T-shirt dat ik die ochtend van mijn stapel T-shirts in een kast had gepakt, realiseerde ik me te laat, was oranje—wat een verkeerde indruk kon wekken—en ik stonk naar schaap. En toch, om geen dwarsligger te zijn, nam ik de stoel die me op het podium werd aangeboden en oreerde ik dapper over mijn ideeën Montelobado weer groot te maken. Nu ben ik gewend aan onbegrip op de gezichten van mensen die ik tijdens lezingen toespreek, maar nooit eerder zag ik me met zóveel onbegrip geconfronteerd. Geen lampje ging branden.
Dat lampje ging pas branden toen het echtpaar dat onze interesse in Montelobado had gewekt ons berichtte dat het huis dat hun familie te koop aanbood, verhuurd zou worden als we niet snel een bod uitbrachten. Ervan overtuigd dat ik op het internet in een oogwenk in Montelobado een ander huis te koop zou vinden, startte ik mijn computer op en … man, ik weet—én wist, nondeju!—dat overal in Spanje initiatieven gaande zijn om ontvolkte dorpen te herbevolken. Die initiatieven voorzien doorgaans slechts de initiatiefnemers van wat EU-centjes. Tientallen websites lijken de deuren naar een aangenaam ruraal leven te openen, maar pueblos blijven ontvolkt. Treedt een dorpsbestuur via de media naar buiten met het bericht dat een dorp huizen, banen en razendsnel internet aanbiedt, dan betekent dat dat dat dorpsbestuur een teletrabajador zoekt, een thuiswerker, die naast haar of zijn baan bereid is elk weekend de bar van het lokale café te bemannen. Hoe dan ook—en des te dommer nu ik erop terugkijk—het make-Montelobado-great-againsprookje stuitte op weinig weerstand in mijn hoofd.
Honderden huizen in Montelobado waarvan zo’n dertig bewoond. Los van het huis waarop Heidi en ik onze zinnen hadden gezet geen huis te koop. Geen huis te koop in de hele regio! Wel in elk dorp twee of drie ruïnes te koop, en een paar minuten onderzoek leerde me dat leegstand zonder beweging in de vastgoedmarkt een bekend fenomeen is in de regio. En juist in de ruïnes, besefte ik, schuilt de oorsprong van het make-Montelobado-great-againsprookje, een sprookje waar geen huiseigenaar, geen concejal en geen burgermeester van op de hoogte is.
Sinds jaar en dag richten migranten hun pijlen op het oosten en zuiden van Spanje, waar elk dorp zijn lokale ritselaar heeft, vaak zelf een migrant. Nadat een migrant een woning heeft gekocht, is de ritselaar er snel bij om te assisteren bij de aanvraag van documenten en vergunningen en bij het vinden van de juiste mensen die de aangekochte woning kunnen verbouwen. Stilaan heeft de ritselaar de ontvolkte dorpen in Spanje ontdekt. Zij of hij probeert mensen hun migratiepijlen op zo’n dorp te laten richten, bemiddelt bij de aankoop van een ruïne—dubbele prijs maar nog steeds een habbekrats—assisteert bij de aanvraag van documenten en vergunningen en bij het vinden van de juiste mensen die de aangekochte ruïne kunnen ombouwen tot huis.
Het is de ritselaar die Spanjaarden hun slechte naam geeft. De ritselaar, zonder een echte jongleur te zijn, moet immers te veel ballen hooghouden en zij of hij maakt om commissies te bemachtigen simpele zakelijke transacties zo gecompliceerd dat alles waarmee zij of hij zich bemoeit zich tot chaos plooit. En als de chaos compleet is, haalt de ritselaar de schouders op en zegt: “Tsja, zo gaat het nu eenmaal in Spanje: mañana, mañana.”
Migranten die in Spanje zelf hun zaken regelen, ontdekken dat puntualidad, minuciosidad en fiabilidad karaktertrekken zijn die zich in Spanjaarden als vanzelfsprekend manifesteren en … "Gezellig hoor, wandelen met jou!” onderbreekt Heidi mijn gedachten. Ze heeft gelijk. We wandelen Montelobado weer in en dat betekent dat ik al even in gedachten verzonken ben geweest.
“We hebben een muis gevangen,” zegt Heidi als we ons toch niet zo tijdelijke huis binnenstappen. Even later loop ik met een muizenval in de hand naar een vervallen schuur net buiten het dorp, waar ik een luikje in de val open, de val in het gras zet, wacht tot de muis de vrijheid tegemoet schuifelt en denk aan hoe ik hier vannacht in mijn boxershort stond. Soms, zoals gisteravond, vergeten we de twee muizenvallen weg te halen die altijd ergens in huis op scherp staan en Boris is de enige die door het lawaai slaapt dat een muis maakt die rondrent in een dichtgeslagen val.
Regen en wind vannacht. De gevangen muis nam de tijd de vrijheid tegemoet te schuifelen en ik dacht aan de wasberen die we vingen op de zolder van ons hotel in Hannoversch Münden. Man, wat een tumult maakten die dieren als we ze op onze zolfer hun gang lieten gaan. Elke gevangen wasbeer bracht een smokkeltocht van dertig kilometer met zich mee. Het vangen van wasberen is immers illegaal in Duitsland, maar wie een wasbeer vangt en dicht bij huis weer vrijlaat, heeft die wasbeer snel weer te gast. Rillend van de kou liet ik mijn gedachten van Duitse wasberen naar het Montelobado dwalen van honderd jaar geleden, een bruisend dorp waar mensen niet over oleanderhagen gluurden om te zien of het dorp werd aangedaan door een verdwaalde migrant van wie wat peseta’s konden worden afgetroggeld, maar waar mensen lachten, dansten en zongen. Ver zou ik in het holst van de nacht niet zijn gekomen zonder dat de sereno, de nachtwaker, me op mijn schouder had getikt. Man, wat had ik graag in die tijd geleefd …
Traditioneelgebouwde huizen, stoffige straten en ravottende kinderen. Molenaars, leerlooiers, steenhouwers, schrijnwerkers, touwslagers, timmermannen, pottenbakkers, mandenmakers, schoenmakers, imkers, zadelmakers, kuipers, smeden, wevers, spinners, naaiers en alpargateros, die schoenen maakten van touw. De waterverdeler en de waterdrager. De dorpsomroeper en de farolero, die elke avond de straatverlichting ontstak. Vroedvrouwen en de chirurgijn, die nog werkelijk mensen genas en tegelijkertijd kapper was. Geiten- en varkenshoeders en ezeldrijvers. Wijnmakers, olijfpersers, kaasmakers, bakkers en slagers. Voor vrijwel iedereen zat de dagelijkse arbeid er elke dag snel op. Mensen hielpen elkaar met klussen die ze niet alleen afkonden, schoffelden in hun huertos, hun moestuinen, speelden kaart of kletsten in een van de meer dan tien cafés die Montelobado rijk was en lachten, dansten en zongen. Maar geen razendsnel internet! Dat moet een domper zijn geweest.
Terug thuis droogde ik me af in de badkamer. Ik schoof Boris, die op mijn bedhelft was gaan liggen, naar het midden van het bed, kroop onder mijn dekbed en grinnikte inwendig toen ik dacht aan hoe Heidi en ik eerder die dag een paar uur op onze handen en knieën bijenwas van de vloer, van muren, van ramen en van meubels schraapten.
Een imker langs de weg naar Salamanca, van wie we bijenpollen kochten, gaf ons een paar blokken bijenwas uit oude raten. Heidi smolt die was, goot er dikke kaarsen van en om te controleren of de was goed was uitgehard, kneep ze in een kaars waarvan, ontdekte ze, alleen de buitenkant was uitgehard. Bijenwas zat overal. Fijn spul om kaarsen van te maken. Minder fijn spul om van vloeren, muren, ramen en meubels te schrapen. Maar mijn inwendige gegrinnik maakte plaats voor zorgen. De studio’s die we nodig hebben om mijn boek De herziene holbewonercode te ondersteunen en die we zouden bouwen in het enige huis dat in Montelobado te koop staat, hadden inmiddels klaar moeten zijn.
Begin november 2025. Lang voordat de zon opkwam, wandelden Boris en ik langs de verlaten schuur waar ik een paar uur eerder wachtte tot een muis een muizenval uit schuifelde. De vroege vogel vangt de vetste worm. Zeker waar. Maar de kaas is doorgaans voor de tweede muis en het frustreert in Montelobado de eerste muis te zijn geweest …
Meer lezen? Neem een kijkje in de webshop.



