top of page

Drugs, dromen en desillusies …

Bijgewerkt op: 12 jan

Il y a un porte-bagages dessus er zit een imperiaal op,” antwoordt de oude man tegenover me in het gras glimlachend als ik hem vraag hoe je een Marokkaans vliegtuig kunt herkennen.

 

30 Augustus 2024. Pas om vijf uur vanmiddag lukte het ons vanuit Antequera onderweg te gaan naar de opslag die we huren in het Catalaanse dorp Roses, in de buurt waarvan Heidi en ik drie maanden geleden nog woonden. Twee maanden verbleven we na ons vertrek uit Catalonië in Nederland, onzeker waar we ons na de tegenvaller in Catalonië wilden vestigen. Ik opperde Italië—had in mijn gedachten in Puglia al een trullo verbouwd en ingericht—toen Heidi op het internet een grotwoning te huur vond in Antequera, een stadje net boven Málaga, in Andalusië, waar we inmiddels een maand wonen. Drie weken geleden maakten we de eerste rit vanuit Antequera naar Roses. Overmorgen verloopt de huur van de opslag en morgen sjouwen we de paar bezittingen die in Roses nog op ons wachten in onze Berlingo en nemen we definitief afscheid van Catalonië.

 

De duisternis viel toen we Murcia passeerden. Het is inmiddels één uur en wet reden zojuist zo’n honderdvijftig kilometer voorbij Valencia deze overvolle area de descanso binnen. We hadden geluk. Een auto draaide uit een parkeervak voor een klein grasveld. Wij glipten dat parkeervak in en terwijl Heidi op zoek ging naar een toilet in het Cespatankstation verderop rolde ik onze slaapzakken uit in het dorre gras voor onze auto. Ik rekte me uit en liet de zwoele nacht en de wonderlijke traditie waarvan we per ongeluk deel uitmaken op me inwerken.

 

De Marokkaanse zomermigratie! Elk jaar weer rijden tienduizenden Marokkanen vanuit alle hoeken van Europa naar het zuiden van Spanje, auto’s beladen met spullen die in Marokko moeilijk te krijgen zijn, om vandaar de oversteek naar Marokko te maken. Een paar weken later—rond deze tijd—gaat de reis in omgekeerde richting, auto’s beladen met spullen die in Europa moeilijk te krijgen zijn. Hoe dichter bij de Spaanse steden Almeria, Algeciras en Tarifa, hoe drukker de tankstations, areas de descanso of combinaties van beide. Normaal gesproken, om de nacht door te brengen, zouden Heidi en ik een paar kilometer van de snelweg een plekje langs een bosrand of in een olijfboomgaard hebben gezocht. Niet vannacht!

 

Tussen auto’s en in het gras slapen honderden Marokkanen. Gasbranders snorren en wie niet slaapt, kookt of theedrinkt, keuvelt met wie ook niet slaapt. Twee vrouwen en drie kinderen slapen rond de oudere man die in een wit gewaad naast me in het gras zit. We maakten oogcontact en zoals ik hoopte dat zou gebeuren, wenkte hij me naar zich toe. Tegenover hem ging ik zitten in het gras. Hij pakte twee kleine glazen van een stapeltje glazen naast een brander voor hem, schonk uit de koperen ketel op de brander thee in beide glazen, gaf me een van de glazen en zette een pot suiker voor me in het gras.

Merci,” zei ik, sjokran inslikkend om niet de indruk te wekken dat ik Arabisch spreek. “Pas de sucre geen suiker.

Moi non plus ik ook niet,” antwoordde de man tegenover me. “Diabète diabetes …”

 

En daar zat ik, starend in het vriendelijke gezicht van een Marokkaanse man terwijl ik een bekende maar onprettige sensatie in mijn nek voelde en besefte dat het alweer even geleden is dat een Arabier me onthoofdde. Man, het ging allemaal zo snel! Ik rende door goudgeel woestijnzand. Arabieren in witte gewaden achtervolgden me, galopperend op kleine, wendbare paarden. Vlak achter me boog een van hen zich naar me toe en hij haalde uit met zijn kromzwaard …

 

Het duurde jaren tot me niet meer te pas en te onpas de sensatie overviel van een vlijmscherp zwaard dat uh… laat ook maar. Ik was vijf jaar oud toen ik die droom droomde en hij houdt me nog steeds af en toe bezig omdat het onbegrijpelijk is hoe ik die droom destijds kon dromen. Geen televisie in huis en een bioscoop had ik nog nooit bezocht. Boeken met plaatjes van Arabieren te paard? Ik kon en kan ze me niet herinneren. Natuurlijk had ik paarden gezien. Grote paarden, trekpaarden. Niet de paarden waarop die Arabieren me achtervolgden door de woestijn—de woestijn die ik ook nooit had gezien—en de vraag is of ik voor mijn vijfde ooit ergens galopperende paarden zag—of kromzwaarden. En waar kwam die levensechte sensatie in mijn nek vandaan en de affiniteit met de Arabische wereld die ik al mijn hele leven heb? Die droom zal altijd een mysterie blijven en … “Vous allez où waar gaan jullie naartoe?” onderbrak mijn Marokkaanse vriend mijn gedachten.

Au nord de l'Espagne naar het noorden van Spanje,” antwoordde ik en nadat ik uit had gelegd wat we daar te zoeken hebben, leerde ik dat hij vanuit Marokko onderweg is naar Boulogne-Billancourt, niet de badplaats waaraan ik dacht, maar een buitenwijk van Parijs, waar hij sinds de jaren 70 woont, de slapende mensen naast hem in het gras zijn vrouw, schoonzus en drie van zijn arrière-petits-enfants, zijn achterkleinkinderen.

 

Mijn blik gleed over het enorme, in vrolijk gekleurd zeil gewikkelde pak bagage op de imperiaal van zijn Audi, die glanst in het licht van de lantarenpalen om ons heen, waarna ik de bekende grap over het herkennen van Marokkaanse vliegtuigen maakte en nu ontspannen keuvel terwijl mijn gedachten naar Marokko dwalen. Lange reizen maakte ik door het land en ik voelde me er altijd welkom en thuis, mijn verblijf op de boerderij van twee hasjiesjtelende broers in het Rifgebergte de mooiste ervaring die ik er ooit had.

 

De dag voordat ik in het Rifgebergte belandde, woonde ik in Málaga een corrida bij. Ontsteld vluchtte ik na afloop van die corrida op mijn motorfiets Spanje uit, met de ferry over de Straat van Gibraltar naar de Spaanse exclave Ceuta en vandaar Marokko in. Zonder doel toerde ik oostwaarts en nog steeds zonder doel belandde ik aan het begin van de avond in het dorp Bab Berred in een restauranteen overdekte veranda met daarop plastic horecameubilairwaar de restauranteigenaar naast mijn tafel een geit slachtte nadat ik viande had besteld, vlees, het enige item op het menu. De keuken was een doorgezaagde oliedrum waarin een vuur brandde en terwijl ik op de geitenribben kloof die de waard serveerde, nodigde een andere gast van het restaurant, die zich later voorstelde als Mohammed, me heel hush hush uitals gold het een clandestiene operatiede nacht door te brengen op de boerderij van hem en zijn broer. Die nacht werden vijftig nachten.

 

Soms reed Mohammed me in zijn kleine, rode Peugeot door de omgeving, maar meestal zaten Mohammed, zijn broer Ali en ik gehurkt op het erf van de boerderij en bedienden we beurtelings een mechanische pers waarmee we plakken persten uit het poeder dat uit de knoppen van marihuanaplanten werd geklopt. Elke vijf plakken tapeten we aan elkaar tot blokken van een kilo. Terwijl gevangenisstraf zich tegen een muur achter ons opstapelde, dronken we thee, aten we gebakken eieren en onderwezen Mohammed en Ali me in de details van de drugshandel.

 

Een van die details was dat zolang ik de juiste mensen betaalde het geen verschil maakte of ik een kilo of duizend kilo hasjiesj uit Marokko smokkelde. Drugssmokkel was in Marokko geen misdaad; het verzuim de juiste mensen te betalen was dat wel. Iets anders wat ik leerde, was dat de Amerikaanse Drug Enforcement Administration, de DEA, de drugssmokkel vanuit Marokko probeerde te ondermijnen. Mohammed en Ali juichten dat toe, want de inspanningen van de DEA beïnvloedden de prijzen van hun hasjiesj positief. Een deel van het plan ter ondermijning van de drugssmokkel was de bouw van een keten uitkijktorens langs de Middellandse Zeekust, elke uitkijktoren bemand door een groep soldaten. Als ook die soldaten waren betaald, konden smokkelaars die de zee kozen als smokkelroute met hun boten het strand opvaren, laden en weer vertrekken.

 

Het was in Marokko dat ik mijn ogen opende voor de farce die de war on drugs is. Het is die war on drugs die drugs hun waarde geeft en het is die war on drugs die verantwoordelijk is voor een groot deel van de misdaad in onze samenlevingen en daarmee voor meer slachtoffers dan de drugs zelf. Hoeveel mensenlevens werden ooit geofferd om Pablo Escobar uit zijn flipflops te schieten? Het vacuüm dat zijn dood creëerde, vulde zich voordat zijn lichaam de dakpannen van een huis in Medellín raakte en de import van cocaïne in de Verenigde Staten en Europa steeg. Dat jaar, zoals elk jaar, stierven meer mensen aan de bijwerkingen van medicijnen die op recept verkrijgbaar zijn dan dat mensen stierven ten gevolge van het gebruik van illegale drugs. Een oorlog tegen drugs terwijl Coca-Cola en McDonald's legaal zijn …. oh man …

 

De meeste nachten op de boerderij van Mohammed en Ali sliep ik in mijn slaapzak op een stenen bank langs een wand van een sfeervol Arabisch ingerichte kamer. Elke ochtend, voordat de boerderij ontwaakte, zat ik op de binnenplaats met mijn rug tegen de waterput. Ik schreef in mijn dagboek en dronk de koffie die ik zette op mijn brander—tot die koffie op was en ik afwachtte tot Mohammed kans zag in Chefchaouen een pak koffie voor me te kopen. Gedurende de dag droeg ik mijn steentje bij aan de instandhouding van de war on drugs en soms, bij het vallen van de avond, reed ik in Mohammeds Peugeot naar de kust, waar ik op het strand een kampvuur maakte, het vlees grilde dat Ali me meegaf en piekerde over de corrida die ik bijwoonde in Málaga.

 

Patrouillerende soldaten lieten me doorgaans met rust. Toch, nadat het ruisen van de branding en het knapperen van mijn kampvuur me op een avond in slaap hadden gesust, porde een soldaat me met de loop van zijn geweer in mijn ribben. Ik opende mijn ogen en staarde in nog drie geweerlopen. Terwijl mijn overweldigers me van het strand leidden, ontdekten ze Mohammeds Peugeot en met vier geweren in mijn armen keek ik toe hoe mijn nieuwe vrienden zich in het autootje propten. Ik legde de geweren in de achterbak, nam plaats achter het stuur en liet me door de donkere nacht naar het hoofdkwartier gidsen van een jonge luitenant, niet gerust op de schrapende geluiden die af en toe onder de Peugeot vandaan kwamen. De luitenant liet me tegenover zijn bureau plaatsnemen, strekte zijn benen, liet een soldaat thee brengen en vertelde me dat hij in Parijs had gestudeerd. Vervolgens vroeg hij me of ik bekend was met het werk van Rousseau.

Nous sommes intimes,” antwoordde ik naar waarheid en een boeiende nacht lag in het verschiet. De thee, die zonder pauze werd bijgeschonken, de Omar Sharifgelijkenis van de luitenant, het Frans dat we spraken en de ventilator die langzaam ronddraaide aan het plafond. En ondanks dat le lieutenant et moi elkaar slechts gezelschap hoefden te houden tot het schip dat het strand op was gevaren waar mijn kampvuur nog steeds smeulde, was geladen en weer was vertrokken, namen we pas tegen het ochtendgloren, na een ontbijt van gebakken ei, brood en olijfolie, afscheid van elkaar en … Heidi gaat naast me zitten en mijn Marokkaanse vriend—Abdul, leer ik als ik Heidi aan hem voorstel—schenkt thee voor haar in een glas en zet de pot suiker voor haar in het gras.

 

Abdul is tweeënzeventig jaar oud. In een dorp in het Rifgebergte—iets ten oosten vanwaar ik ooit verbleef op de boerderij van Mohammed en Ali—repareerde hij ooit auto’s en tractoren in zijn eigen werkplaats. Groot geld lokte hem als jonge man met zijn vrouw en kind naar Frankrijk, waar hij in een Renaultfabriek geen auto's repareerde—zoals hij had gehoopt—maar à la chaîne de montage stond, de lopende band. Abdul kreeg in Frankrijk nog twee kinderen, verloor zijn baan bij Renault, kreeg een uitkering—vermoed ik dat allocation betekent—en werkt sindsdien op afroepbasis voor de zonen en kleinzonen van zijn Marokkaanse vrienden die in de buurt van zijn huis garagebedrijven startten.

 

Abdul oogt ondanks zijn grijze haar en baard jonger dan hij is. Hij heeft vrolijke ogen en oogt gezond, vitaal, maar ik heb het gevoel dat ik iets gelatens zie in zijn houding als hij de ketel pakt en opnieuw thee inschenkt. Voordat ik mezelf een halt kan toeroepen, vraag ik: “Ça valait … ça en valait la peine was het de moeite waard?

 

Heidi schudt haar hoofd en Abduls hand met daarin de ketel blijft een moment bewegingloos in het niets hangen. Dan zet hij de ketel terug op de brander. Hij kijkt me aan, schudt zijn hoofd en zegt: “J'ai fait ce que j'ai fait pour ma famille wat ik deed, deed ik voor mijn familie. Ik dacht dat het goed was als mijn zoons en dochter naar een Franse school zouden gaan, misschien zouden studeren. Ze hebben alle drie gestudeerd maar doen nu nutteloos werk in de stad. Ze hebben dure huizen, rijden in dure auto’s, hebben nergens tijd voor en komen altijd geld tekort. Ze zijn getrouwd en hebben kinderen, onze kleinkinderen. Twee van onze kleinkinderen studeren nog; alle andere kleinkinderen zijn klaar met hun studie en volgden het pad van hun ouders. Dure huizen, dure auto’s, nergens tijd voor, zelfs niet voor hun kinderen, onze achterkleinkinderen, en ze komen nog meer geld tekort dan hun ouders. We hebben vier achterkleinkinderen. Deze drie," Adul gebaart naar de drie kinderen die naast hem slapen, "reisden met ons mee naar Marokko. De reis interesseert ze niet, de oversteek met de ferry interesseert ze niet en Marokko interesseert ze niet. Alles wat ze willen is dingen bouwen met blokken in een beeldscherm.”

Nog steeds kijkt Abdul me aan als hij zegt: “J'aurais dû rester au Maroc ik had in Marokko moeten blijven,” en ik voel me lullig voor de stomme vraag die ik stelde. We drinken onze thee op en als ik Abdul de hand schud voordat we in onze slaapzakken kruipen, voel ik me zoals ik me voelde toen ik ooit afscheid nam van Mohammed en Ali in het Rifgebergte.

 

Het is nog donker als ik thee- en koffiezet en Heidi onze slaapzakken oprolt. Twee Marokkaanse veertigers, vrouw en man, zitten op een kleed voor een brander met daarop een aluminium ketel waar Abdul een paar uur geleden nog zat. Naast het stel glanst een Mercedes in het licht van de lantarenpalen om ons heen, een enorm, in vrolijk gekleurd zeil gewikkeld pak bagage op de imperiaal, drie in mobiele telefoons starende kinderen op de achterbank. rechts van ons kondigt de dag zich aan als we driekwartier later thee- en koffiedrinkend uit de doppen van onze thermossen Catalonië binnenrijden. Als we onder een groot, zwart bord door rijden met daarop in oranje letters de tekst HIGHWAY ROBBERIES zegt Heidi: “Weet je nog?”

 

Natuurlijk weet ik het nog! Iets meer dan een half jaar geleden, toen we nog in Catalonië woonden, was ik zo dom ons op deze snelweg—iets verder naar het noorden—te laten overvallen en ik grinnik inwendig als ik denk aan hoe ik voor de humor ervan het merk, de kleur, het kenteken, de locatie en de rijrichting van de auto van de overvallers doorbelde naar de politie. Voor de humor ervan, omdat geen auto vandaag de dag erg ver komt zonder te kunnen worden aangehouden als merk, kleur en kenteken bij de politie bekend zijn. Toch wist ik dat onze overvallers van de politie niets te vrezen hadden. En dat is grappig. Europese burgers dienen zichzelf veilig te stellen tegen overvallers, die vaak in twee tellen in de kraag gevat kunnen worden, terwijl overheden oorlog voeren met drugsmokkelaars die drugs zullen smokkelen zolang er vraag naar is …


 
 

Met jouw steun kan ik blijven schrijven.

Lieve groet, Nikko 🙂

Of doneer direct:

ES9430580709052720066355

BIC/Swift: CCRIES2AXXX

t.n.v. Nikko Norte

Dank je wel!

bottom of page