hldd0umdhyh5c7mglsn29ql0j-tre89i1w4h9m-533tsstg-4wd1kw-wetspv7ov6qf520qq6sl6dt-qwfy8gsd6y-pn8d9g-dm1iazu29-hpbioy52dq8xm12kf5x4n
 
Zoeken
  • Nikko Norte

Wappies en droggies …

Door een tapijt van regen trekt het woord BRAGE mijn aandacht, in oranje letters op zwarte borden boven de weg. Vanmorgen vertrokken we vroeg uit Bretagne en we hadden vanavond rond twaalf uur in Oostenrijk kunnen zijn, thuis. Toch zouden we onder andere weersomstandigheden aan het einde van de middag een camping hebben gezocht. Sibleytent overeind en op de fiets naar de dichtstbijzijnde Leclerc, waar Heidi langoustines en groente zou hebben gescoord en ik een van de Gastonalbums die aan mijn verzameling ontbreken. Geen langoustines, geen groente en, erger, geen Gaston. Wel noodweer.


Het is stil in de auto sinds ik ontdekte dat Heidi een foutje heeft gemaakt tijdens het instellen van de tomtom. Vier uur vannacht thuis. Heidi is stil omdat ze denkt dat ik boos ben, denk ik. Ik ben stil omdat ik denk dat ze dat denkt. Mijn ogen gefocust op de vaag zichtbare witte lijnen op het asfalt, de ruitenwissers op de snelste stand, dwalen mijn gedachten naar de nacht dat ik in de deuropening van een Frans transportvliegtuig stond, gekleed in legergroen, zwarte vegen op mijn handen en gezicht, een parachute op mijn rug, reserveparachute op mijn buik, rugzak daaronder, mijn uzi weggestopt onder de riemen van mijn parachuteharnas. Na een lange, oncomfortabele vlucht had de jumpmaster naar mijn team gewezen en ‘Red on!’ geroepen. We hadden elkaar overeind geholpen, hadden onze staticlines aan een stalen kabel gehaakt en waren onder het gewicht van onze uitrusting naar de open vliegtuigdeur geschuifeld.


Met mijn handen aan de deurlijsten tuurde ik in de regenachtige nacht. We vlogen laag. De straatverlichting van dorpen gleed onder ons door en al snel vlogen we boven Normandië, ons vliegtuig onder vuur van Duits luchtafweergeschut, een ervaring die zo’n intense kwaliteit aannam dat ik het groene licht miste dat in de cabine was aangegaan. De jumpmaster duwde me het vliegtuig uit en ik slingerde alle kanten op terwijl mijn parachute opende. In paniek graaide ik onder de reserveparachute naar de schoenveters die ik aan de twee stalen sluitingen aan mijn harnas had geknoopt. Ik gaf een ruk aan die schoenveters, de sluitingen klikten open en mijn rugzak, die tot dan voor mijn benen had gehangen, viel tot het koord strak stond waarmee hij met mijn harnas was verbonden. Seconden later landde ik hard in een weiland in de Franse Périgord, ver van Normandië.


Mijn drie kompanen en ik vonden elkaar snel. We verdwenen in de nacht, infiltreerden ons inzetgebied en groeven ons in. Vanaf die nacht hielden we ons overdag schuil. ’s Nachts voerden we de opdrachten uit die we via onze radio binnenkregen. Het duurde drie weken tot die radio de opdracht prijsgaf onze exfiltratie te starten. Al na vijf kilometer, ontdekte ik toen ik onze route bestudeerde, zouden we van onze stafkaarten lopen, waarna we onze weg moesten vinden aan de hand van een escapekaart. Die escapekaart was van stof, niet van papier, en had een andere schaal dan een stafkaart. Wat als ik bij het omrekenen van de schalen een fout maakte en we dertig kilometer in een verkeerde richting zwoegden? Met mijn negentien jaar was ik de jongste van ons team, maar ik was sergeant en verantwoordelijk voor onze navigatie.


Net na zonsopkomst, de volgende ochtend, puzzelden we met takken en stenen in een weiland de letter H bij elkaar, op onze hoede niet alsnog in de handen van onze oefenvijand te vallen. In de bosrand waarin we ons onzichtbaar maakten, tikten de seconden weg van het tijdslot waarin een helikopter ons op zou pikken. Ook de seconden van het daaropvolgende halfuur tikten weg. Net toen ik geen andere keuze meer had dan op te biechten dat mijn navigatie had gefaald, verloste het geluid van een naderende helikopter me uit mijn lijden.


Over de herrie in de open laadruimte van de helikopter had ik mijn kompanen naar elkaar horen schreeuwen over hun vriendinnen en over het eten dat hun moeders kookten. Ik keek uit naar de volgende oefening waaraan ik twee dagen later in Duitsland met een ander peloton zou deelnemen en … BRAGE. Het is inmiddels donker, de regen komt met bakken uit de hemel en ik realiseer me dat ik niet stil ben omdat ik denk dat Heidi denkt dat ik boos ben. Corona kruipt onder mijn huid en het is mijn eigen schuld dat dat gebeurt. Naast de tijd die ik dagelijks in coronastudie investeer, volg ik de laatste weken de cijfers die clubs zoals het RIVM publiceren.


Drie tot vier keer zoveel ziekenhuisopnames in Nederland als vorig jaar – toen niemand gevaccineerd was. Ja maar, zeurt een stem in mijn hoofd, dat is de deltavariant en het zijn de ongevaccineerden die nu in het ziekenhuis liggen. Man, als dat laatste waar was, danste het kabinet door de straten van Den Haag, hoor ik mezelf denken en om een zoveelste gedachtendialoog te doorbreken, zoek ik naar waar ik een fout kan hebben gemaakt in de berekeningen die ik losliet op de cijfers die ik tot een paar dagen geleden nog vond op een website van de Israëlische overheid. Aantallen ziekenhuisopnames, uitgesplitst in gevaccineerde Israëliërs en ongevaccineerde Israëliërs. Wekenlang probeerde ik de procentuele verschillen te vinden tussen beide groepen. Geen verschillen. Gibraltar dan! Volledig gevaccineerd. Procentueel al wekenlang anderhalf keer zoveel gevallen als in het half gevaccineerde Nederland. Groot Brittannië? Dagelijks dertig keer zoveel cases als vorig jaar? IJsland?

Ja maar, toch lopen gevaccineerde mensen minder risico.

Door de manier waarop we met vaccins experimenteren, is het lastig aan te tonen wat de invloed is van vaccinaties. Een verklaring voor een minder ernstig ziektebeeld kan zijn dat mutaties van het oorspronkelijke virus zich weliswaar sneller verspreiden maar ons minder ziek maken, het gebruikelijke beeld bij mutaties van virussen. Een uitzondering is mogelijk, maar de gevreesde Britse variant had een lagere IFR dan de oorspronkelijke variant, die in Nederland niet meer dodelijke slachtoffers eiste dan er jaarlijks dodelijke slachtoffers vallen door foutieve medicatie of foutief medisch handelen. De deltavariant heeft een nog lagere IFR dan de Britse variant en … wat een onzin!

Sterk argument: wat een onzin. Gazastrook, Tanzania? De president van Tanzania had een interessante tip om de gevolgen van een coronabesmetting te minimaliseren: eet gezond en beweeg meer.

Ja maar, denk je echt dat de mensen in de Gazastrook of in Tanzania de waarheid spreken?

Die mensen hebben er baat bij coronacijfers juist op te kloppen en eh… als het om het spreken van de waarheid gaat, trekt de president van Nederland geen volle zalen. Daartegenover staan duizenden artsen en wetenschappers die in de krochten van het internet beargumenteerd waarschuwen tegen het laten deelnemen van kerngezonde mensen aan een vaccinatie-experiment en die ons wijzen op wat we uit dat experiment desalniettemin kunnen leren, zoals de gelimiteerde tijd die vaccins bescherming bieden – Pfizer, volgens Israëlische onderzoekers, heeft een halfwaardetijd van 146 dagen – zoals de onderschatte duurzaamheid van natuurlijke immuniteit en zoals het belang dat we zouden moeten hechten aan het minimaliseren van comorbiditeiten.


Dat obesitas en corona slecht samengaan, is bekend, maar wie had kunnen vermoeden dat angst de op een na grootste cormorbiditeit is die onze kans vergroot aan corona te overlijden. Overheden die met open vizier de strijd met corona aanbinden, laten gezonde mensen met rust, sporen ongezonde mensen aan gezond te eten en meer te bewegen, zaaien geen angst en wijzen bewust ongezonde mensen erop dat er vaccins bestaan die mogelijk extra bescherming bieden tegen corona.

Ook onzin? Dat eh… dat van die angst plukte ik uit een onderzoek dat de Amerikaanse CDC publiceerde.


Arme landen kunnen zich geen vaccins veroorloven. Wij investeren miljarden en er zijn nog steeds mensen die hun vaccinatie weigeren. De Israëlische president slingerde die drogreden om mensen zich te laten vaccineren onlangs de wereld in. Drogreden of niet, Isaac Herzog wijst ons op een van de grootste fouten in het wereldwijde vaccinatiebeleid en ik voel me onrustig worden als ik bedenk hoe de regering Biden samenwerkt met socialemediaplatformen om meningen te onderdrukken die indruisen tegen dat beleid.

Ja maar, jij bent een wappie met je complottheorieën.

Werkelijk? Ik eh… ik praat mevrouw Psaki na, persvoorlichter van het Witte Huis, en … Heidi houdt me een mok koffie uit onze Stanleythermos voor. ‘Kun je je ogen op de weg houden?’ vraagt ze: ‘Ik word nerveus van dat gestaar omhoog.’

‘Oké,’ mompel ik: ‘maar kun jij dan het woord brage voor me googelen?’

‘Het woord wat?’

Brage. Dat staat al een uur op die borden boven de weg.’

‘Er staat orage, noodweer.’

‘Nondeju,’ ontplof ik: ‘ik weet wat orage betekent. Wie verwacht er nu een waarschuwing voor noodweer als-ie door noodweer rijdt.’

‘Jij niet, heb ik het idee.’


Het is al even droog. Heidi slaapt. In Frankrijk rijden we niet graag op tolwegen. Saint-Louis is op onze route het laatste dorp voor de Zwitserse grens. Net voor Saint-Louis zou Heidi op de tomtom het vermijden van tolwegen uitschakelen. Die tomtom is Heidi’s trots. Ze claimde er lang geleden de verantwoordelijkheid mee voor onze navigatie en ik zie de humor wel in van de wonderlijke routes die we doorgaans kiezen. Toch had ik vanavond eerder moeten ingrijpen. Na wat gerommel met haar telefoon en met de tomtom duurde het nog een half uur tot Heidi bekende dat Frankrijk meer dorpen kent met de naam Saint-Louis en … iemand beweegt een lightsaber door de nacht. Twee agenten. Witte petten, het woord Polizei op de zijkant van hun auto. Zonder er erg in te hebben, zijn we de Rijn overgestoken, bedenk ik. Ik houd halt, laat mijn raam zakken en zeg vriendelijk: ‘May the force be with you.’ De agent die ons van afstand aanschouwt, glimlacht. Zijn collega aan mijn raam vraagt: ‘Wo kommt Ihr her?

‘Ploudalmézeau,’ antwoord ik beleefd en … ‘Wir kommen aus der Bretagne, in Frankreich,’ zegt Heidi, net wakker, terwijl ze zich hardhandig voor me langs buigt.

Und wohin geht’s.’

Nach Schruns in Österreich,’ antwoordt Heidi voordat ik Havoc Outpost kan zeggen.

Was macht Ihr denn hier?

Lange Geschichte,‘ meng ik me in het gesprek en ik denk aan de keer, onderweg van de Dordogne naar Épernay in de Champagne, dat Heidi en ik werden aangehouden tussen Lyon en de Zwitserse grens. We kenden elkaar net en reisden in een bus die ik tot camper had omgebouwd. Heidi had de tomtom uit haar Mini naast mijn navigatiesysteem op de voorruit gekleefd, vastbesloten te bewijzen dat tomtom het neusje van de zalm is op navigatiegebied. Mijn navigatiesysteem wees ons naar het noorden; Heidi’s tomtom wees ons oostwaarts. Uiteindelijk had ik een landkaart uitgespreid op mijn schoot om Heidi er daarmee van te overtuigen dat haar tomtom ernaast zat. Verbaasd, zeg verbijsterd, hadden de gendarmes die ons aanhielden hun blik over de kaart op mijn schoot laten glijden en over de navigatiesystemen op de voorruit. ‘Épernay, non? Épernay en France? Mais qu’est-ce que vous faites ici?

Histoire longue,’ had ik geantwoord en … ‘Erzählen Sie uns die lange Geschichte noch?’ vraagt de agent aan mijn raam.

Heute nicht. Wir haben noch vier Stunden zu gehen.’ Ik sluit mijn raam en zie de mond van de agent openvallen. Ik voel medelijden met hem, laat mijn raam weer zakken en zeg: ‘Fear, mein Freund, is the path to the dark side.’ Opnieuw sluit ik mijn raam en we rijden de nacht in.


Feel free to share ...