hldd0umdhyh5c7mglsn29ql0j-tre89i1w4h9m-533tsstg-4wd1kw-wetspv7ov6qf520qq6sl6dt-qwfy8gsd6y-pn8d9g-dm1iazu29-hpbioy52dq8xm12kf5x4n
Zoeken
  • Nikko Norte

Minister-president van Oudenaarde

Verbaasd laat ik me omhoog voeren terwijl onder me de wind mensen achter hun paragliders door de dorenstruiken sleurt. Ridge soaring. Het is de eerste keer dat ik me eraan waag en misschien had ik beter … te laat, stel ik angstig vast.


Noorderwind stuit tegen de Menez-Hom op, een berg in Bretagne, en stroomt omhoog. Dertig kilometer wind per uur. Met mijn gewicht haal ik 35 kilometer voorwaartse snelheid uit mijn glider, dus als ik rustig achtjes vlieg, moet ik in de kolom opstijgende lucht kunnen blijven hangen. De piloten die het is gelukt op te stijgen, cirkelen onder me ter hoogte van de top van de Menez-Hom. Ze hangen – realiseer ik me nu – onder kleinere gliders dan ik en dat is waarschijnlijk de reden dat ik zoveel hoogte op ze win.


Voor het eerst in mijn leven startte ik achterstevoren, zoals dat hoort in harde wind. Niet zeker of ik mezelf in die startpositie op de juiste manier aan mijn glider had gegespt, schoot ik recht omhoog de lucht in. Ik hoorde het gejuich van de horde toeristen op de top van de Menez-Hom en … het voelt alsof ik controle heb over mijn situatie. De toeristen op de Menez-Hom worden me te klein, maar ik kom tot rust en over de baai van Douarnenez dwalen mijn ogen via de Pointe du Raz en de Cap de la Chèvre naar de plek waar ik vijftien jaar geleden zou sterven, de herinnering aan dat avontuur plotseling levendig. 

Op een Kawasaki-jetski, een machine om op te staan, niet om op te zitten, voer ik van Málaga, in Spanje, over zee naar Nederland, een avontuur dat drie weken zou duren en elf weken duurde. De koudste winter in het zuiden van Europa in lange tijd. Sneeuw op de stranden van Spanje, Portugal en Frankrijk. Nooit eerder was ik zo lang zo koud geweest – en zo vaak en zo lang zo bang. In Bretagne maakte de sneeuw plaats voor nog slechter weer dan me tot dan toe had achtervolgd en na de tanks op de Kawasaki te hebben afgevuld, vertrok ik op een ochtend uit de haven van Audierne. Reflexmatig over de golven sturend, die van alle kanten op me inbeukten, rondde ik de Pointe du Raz, waar ik de omstandigheden slechter had verwacht. De overmoed die dat in me wakker riep, deed me besluiten over te steken naar de Cap de la Chèvre, anders dan de baai van Douarnenez rond te varen.


Het duurde niet lang tot mijn overmoed plaatsmaakte voor berouw. De grauwe lucht kleurde zich grauwer, ik verloor zicht op land, de wind wakkerde aan en een botsing van wind en getij veranderde de zee in een woedend schuimende massa. Het was niet de eerste keer in mijn leven dat ik in een dergelijke situatie belandde; het was me snel duidelijk dat het de laatste keer zou zijn.


Liggend op mijn Kawasaki, in gevecht met het grauwe geweld dat me in zijn greep had, genoegzaam in de gedachte dat loopgraven weldegelijk ruimte bieden aan atheïsten, reflecteerde ik zonder zelfmedelijden op de keuzes die ik in mijn leven maakte. Man, mijn hele jeugd hadden de mensen om me heen het onderste uit de kan gehaald me in een leven te dwingen dat ik onder geen beding wilde leven. Wat me redde, was dat ik was geboren in een huis vol boeken en kon lezen voordat iemand die daartoe was opgeleid een poging deed het me te leren. Ik las als een idioot, leerde het een en ander maar voelde me aangetrokken tot de verkeerde ideeën, Horatio Hornblower, die admiraal werd zonder ooit te slagen voor zijn luitenantsexamen, een goed voorbeeld. Al op de lagere school ontplofte mijn leesdrift in mijn gezicht. School was niet wat ik ervan had verwacht en ik gooide mijn kont tegen de krib. Omdat ik veel van wat ik gelezen had, kon reproduceren, dachten mensen dat ik slim was en omdat mensen dachten dat ik slim was, gingen ze met me in gesprek om me weer op het rechte pad te krijgen. Urenlang, thuis en op school, zaten mensen met me om de tafel en probeerden ze me met quasi-intellectuele argumenten in hún leven te dwingen. Keer op keer toonde ik me non-verbaal inschikkelijk – ieder woord dat ik sprak, was olie op het vuur – om vervolgens mijn kont harder tegen de krib te gooien.


Die grauwe wintermiddag voor de kust van Bretagne, in paniek terug zwemmend naar mijn jetski, nadat een golf me er voor de zoveelste keer af had gegooid, dacht ik aan de woorden waarmee d’Artagnan père zijn zoon het leven in stuurde: Het is op basis van zijn moed dat een jongeman zijn weg vindt. Als je je ook maar een seconde door angst laat overmannen, laat je je misschien het fortuin ontnemen dat je alleen in die seconde aangeboden krijgt. Vrees niets en zoek het avontuur. Man, dat waren woorden naar het hart van het kind dat ik ooit was en gelukkig altijd bleef, woorden die me ervan redden in een leven van rustige wanhoop te belanden, zoals Thoreau me had voorspeld dat me te beurt zou vallen als ik zou zwichten voor het proselitistische gedram van mijn opvoeders. In het koude water van de Atlantische oceaan prees ik me gelukkig dat ik nimmer boog voor quasi-intellectuele argumenten – en stilzwijgende afkeuring en teleurstelling – en me doof hield voor elk ander ritme dan dat van mijn eigen tamboer.


Maar mijn tijd was op. Verdrietig, toegegeven, voelde ik mijn krachten wegebben, verstomde de muziek die ik nog in me had en … een schaduw dook vanuit het kolkende water over me heen. Onbewust moet ik de dolfijn zijn gevolgd, die uit het water bleef springen. De watermassa waarvan ik een speelbal was, kalmeerde enigszins en als ik af en toe op een golftop dreef, zag ik dat land me omringde.


Uitgeput voer ik de haven van Camaret-sur-Mer binnen, waar ik met één voet op een kade en de andere voet op mijn Kawasaki de kracht miste om beide zaken bij elkaar te houden en in een spagaat belandde. Net op tijd duwde de dolfijn mijn Kawasaki terug naar de kade, waarop ik een paar wankele stappen zette voordat ik me door mijn knieën liet zakken, over het water boog en vriend dolfijn over de snuit aaide.


Ik kruis mijn rechterbeen over mijn linkerbeen, voel dat mijn glider een bocht induikt en voel dat de wind me weer meters omhoog duwt. Camaret-sur-Mer verlies ik uit het oog en ik speur naar de camping, waar onze Sibleytent staat. Bij het inchecken vroeg de eigenaar me mijn naam en adres op een stuk papier te schrijven met een pen die hij desinfecteerde voordat hij hem aan me gaf. Objecten spelen geen rol in de overdracht van het coronavirus, maar ik zag ervan af vriend Boterletter dat uit te leggen.


Zwevend boven het Bretonse landschap besef ik plotseling hoe vreemd het is dat mijn opvoeders, lang geleden, me niet slim achtten omdat ik met hand en tand vocht me de vrijheid toe te eigenen ten minste de keuze te kunnen maken als non-conformist te leven, of als transcendentalist voor wat dat aangaat, autonoom en autarkisch, maar omdat ik wist wat de woorden betekenden. Terwijl ik mijn linkerbeen over mijn rechterbeen kruis en als in een kermisattractie omhoog zwiep, vraag ik me af wat er van me zou zijn geworden als ik mijn stappen in het leven had gezet op het ritme van de tamboer van de maatschappij waarin ik opgroeide? Ik had misschien de gelederen versterkt van professor Ernst Kuipers, die in een uitzending van Nieuwsuur die ik per ongeluk zag de Nederlandse bevolking angst onder de riem steekt door een staafgrafiek te duiden op een manier waarmee meneer Tak, wiskundeleraar en een van de weinige mensen, niet zijnde de schrijvers van de boeken die ik las, van wie ik nog wel eens iets opstak, geen genoegen zou hebben genomen als hij me, eerste klas middelbare school, dezelfde grafiek had laten duiden. “Bloempot,” zou hij me hebben toegeroepen, refererend aan mijn haardracht van destijds, waaraan ik werd geslachtofferd omdat mijn moeder zich kapster waande: “verlaat mijn klaslokaal, u beledigt mijn beminde gelovigen.”


Maar misschien had ik de school voor journalistiek gevolgd en had ik in de hoedanigheid van presentator van Nieuwsuur een raaskallende professor niet de vragen gesteld die ik hem had moeten stellen. Man, de enige conclusie die ik uit die uitzending kon trekken, was dat alle mensen van onder de veertig als de sodemieter moeten gaan sporten in slecht geventileerde sportscholen, dat alle leraren van onder de veertig hun beminde gelovigen moeten onderwijzen in slecht geventileerde klaslokalen, de ramen dicht, en dat leraren ouder dan veertig, als zij dat willen, uit moeten kunnen wijken naar geventileerde lokalen. “Ja, maar ook al belanden mensen van onder de veertig niet in ziekenhuizen; ze kunnen het virus wel doorgeven,” hoor ik professor Kuipers zonder overtuiging klagen ergens achter in mijn hoofd, en in mijn gedachten antwoord ik: “Beste man, als politici ons wijs genoeg achten op hen te stemmen tijdens verkiezingen, dan moeten ze ons ook wijs genoeg achten de zwakkeren in de samenleving te ontzien en te ondersteunen tijdens de uitbraak van een virus dat het mogelijk op die zwakkeren heeft gemunt.”


Verkiezingen! Artsen en medisch specialisten spreken in een brief aan alle Kamerleden, die ik op het internet las, hun bezorgdheid uit over de manier waarop de Nederlandse overheid het coronavirus tegemoet treedt. Een van hen, Kim van Oudenaarde, uitte zich onverbloemd in een podcast en ongeacht de ideeën die Kim er verder opna houdt, bedenk ik hoe gaaf het zou zijn als zij nog voor de aankomende Tweede Kamerverkiezing een politieke partij oprichtte, de PvdR misschien, de Partij voor de Ratio, en heel niet-bang Nederland op die partij stemde. Met het oog op het huidige reilen en zeilen van de Nederlandse democratie een dol fijn idee, dat … dorenstruiken haasten zich in mijn richting, rustige wanhoop plotseling aanlokkelijk.


#nikkonorte #blog #prometheus #kawasaki #nieuwsuur #dolfijn #tweedekamerverkiezing #kimvanoudenaarde #ernstkuipers

Schruns, Vorarlberg Oostenrijk

© Nikko Norte

  • Facebook Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Instagram Social Icon