hldd0umdhyh5c7mglsn29ql0j-tre89i1w4h9m-533tsstg-4wd1kw-wetspv7ov6qf520qq6sl6dt-qwfy8gsd6y-pn8d9g-dm1iazu29-hpbioy52dq8xm12kf5x4n
top of page
  • Foto van schrijverNikko Norte

Boten van hout, mannen van staal …

Beste Nikko, leest een e-mail die ik open. Twee maanden op weg en ruim acht kilo kwijt. Volgende stap? Vertwijfeld schud ik mijn hoofd en ik kijk door een raam naar buiten. Het schemert en ik denk aan hoe magisch mooi het buiten was toen we ons een uur geleden met Moos de herdershond een weg door de sneeuw baanden.

 

Januari 2021. De sneeuw heeft zich inmiddels tot boven het raamkozijn gestapeld en ik wil weer naar buiten, voel me onrustig. Eerst de mails beantwoorden die ik nog moet beantwoorden en … ik surf via Google naar een internetpagina waarop ik het boek Call of the Raven van Wilbur Smith bestel en denk aan het handgeschreven antwoord dat ik van hem kreeg op een vraag die ik hem had gesteld over de filmrechten van een van zijn boeken. Die filmrechten, schreef Smith, waren al verkocht en dat was niet waarop ik had ingezet. Nukkig herinnerde ik mezelf eraan dat ik slechts op obstakels stuit als ik mijn doelen uit het oog verlies en ik besprak de brief met een regisseur met wie ik werkte in Los Angeles, in de Verenigde Staten, waar ik destijds de helft van mijn tijd doorbracht. Niet alleen bleek die regisseur de man te kennen die de filmrechten van Smiths boek had gekocht, hij belde hem ook op en gaf me na een korte introductie de telefoon. Verbouwereerd sprak ik met een man van wie ik niet had durven dromen hem ooit te spreken en ik werd prompt uitgenodigd voor een gesprek op zijn kantoor.

 

Nog steeds onrustig schuif ik heen en weer op mijn stoel. Ik laat mijn blik rusten op een miniatuur van Columbus’ Santa Maria, die ik ooit in elkaar knutselde, en denk aan mijn oude vriend Hornblower, die als adelborst dienst nam bij de Engelse marine toen schepen nog van hout waren en mannen van staal. De bemanning van de oorlogsbodem waarop Hornblower diende, enterde in de Middellandse Zee een koopvaarder en met een paar Engelse matrozen werd Hornblower als prijsmeester op die koopvaarder geplaatst, zijn opdracht er zo snel mogelijk mee naar een haven in Engelse handen te zeilen. Het was Hornblowers eerste zelfstandige commando. Succes zou niet per se tot promotie leiden, maar falen zou een mogelijke promotie een periode afhouden.

 

Waarschijnlijk was de koopvaarder tijdens de schermutseling die aan de entering voorafging door een kanonskogel onder de waterlijn geraakt; het schip gedroeg zich alsof het water maakte. Onder dreiging van een Engelse musket boog de oorspronkelijke bemanning van de koopvaarder zich over de pompen en terwijl haar kapitein hoofdschuddend toekeek, pompte die bemanning lucht op, geen water. Gehinderd door de taalbarrière kostte het Hornblower wat moeite de kapitein te ontfutselen dat de koopvaarder was geladen met rijst, die het water absorbeerde dat weldegelijk door een gat in de romp het ruim in stroomde.

 

Hornblowers hoogmoed maakte plaats voor zorgen. Zinken was een somber vooruitzicht, hoewel minder somber dan een superieur te moeten rapporteren dat een lading rijst was verworpen. Toch handelde Hornblower naar de moraliteit die nog gold toen C.S. Forester de avonturen van Hornblower verzon en op schrift stelde. Het was voor hem, voor Hornblower, onmogelijk zijn carrière boven mogelijk onheil van de mensen onder zijn commando te plaatsen, te proberen bijvoorbeeld Gibraltar aan te zeilen, en met de rijst ging Hornblowers carrière overboord – om die carrière kort daarop met een roekeloze daad van de verdrinkingsdood te redden.

 

De coronamaatregelen die overheden wereldwijd verzinnen, zijn als pompen op een tot zinken gedoemd schip. Als een mirakel het schip drijvend houdt, is dat te danken aan de kapitein die de order tot zinloos pompen gaf. Als het schip zinkt, is dat de schuld van de bemanning, die harder had moeten pompen en … Moos legt een poot op mijn been. Ik aai het dier en bedenk hoe vreemd het is dat een maatschappij een koers kan varen waar geen van de individuele leden mee instemt. Gebeurt dat met een schip, dan is het stuurloos en is het tijd te bidden voor de zielen aan boord.

 

Het valt vandaag niet mee me te concentreren op het beantwoorden van mijn mail. Een fors deel van de wereldbevolking zwelt op als een lekkend, met rijst geladen, houten schip. Soms roepen mensen mijn hulp in als ze het gevoel hebben dat het roer om moet. Ik help mensen graag als het op hun gezondheid aankomt maar kan slechts de mensen helpen die beseffen dat succes begint bij willen. Willen is de basis om met de wal het schip te keren en … ik sta op, trek een skibroek en kaplaarzen aan, loop naar buiten, grijp een sneeuwschep en schiet in de lach. Het is dertien graden onder nul. Mijn skibroek is warm zat, maar ik ben vergeten een trui aan te trekken en draag boven die skibroek een T-shirt.

 

Zo hard als ik scheppen kan, schep ik de vannacht gevallen sneeuw uit de borsthoge loopgraaf rond ons huis, die ik een paar dagen geleden al groef. Raar huis. De voordeur is aan de achterkant, niet aan de straatkant. Veertig meter loopgraaf rond het huis, van de voordeur naar de smalle weg die vanuit het dorp net voorbij ons huis doodloopt. Twee keer per dag, heen en terug, dendert een tractor met daarop een sneeuwschuiver voorbij. De weg is vrij, dat is waar, maar de tractor heeft op het wegdek een laag ijs achtergelaten en op dat ijs, leerden we vorig jaar, is onze auto, onzichtbaar onder de sneeuw, zelfs met sneeuwkettingen kansloos. Spijkerbanden is de oplossing maar glibberend en glijdend te voet de weg af en op is leuker.

 

Als ik over de rand van de loopgraaf kijk, zie ik de lichten van het dorp in de ochtendschemer. Achter het dorp zetten de eerste zonnestralen de top van de berg de Zimba in een oranje gloed. Per twee scheppen sneeuw kom ik een halve meter voorwaarts, ondanks de strapatsen van Moos, die zich tussen mijn benen door blijft worstelen. Nog twintig meter te gaan. Twintig meter achter me wacht de onbeantwoorde mail, zeker waar, maar wachten ook warmte, koffie en Heidi en vrolijk tierend op de kou prijs ik me gelukkig dat ik ooit afscheid nam van een paar van mijn vrienden die naar Nieuw-Zeeland gingen. Nog tien meter te gaan ...

 

Terwijl de warmte in ons huis bezit van me neemt, zit ik stil op de stoel achter mijn bureau, mijn handen om een mok koffie, en ik staar naar een foto die Heidi gisteren in een verhuisdoos vond en op mijn bureau legde. Een foto van mij, negentien jaar oud, in militair uniform. Mijn vingers nog te koud om te typen, laat ik mijn gedachten naar een zompig weiland dwalen in de Belgische Ardennen, waar een luitenant me drie weken voordat de foto op mijn bureau werd gemaakt Klikklik doopte. 

 

Klikklik! Hemel en aarde had ik moeten bewegen om van de Jan van Schaffelaarkazerne in Ermelo te worden overgeplaatst naar de Engelbrecht van Nassaukazerne in Roosendaal. In Ermelo werd ik opgeleid tot commandant van een voertuig van het type YP of YPR, dat was uitgerust met een afvuurinstallatie voor antitankraketten. Vanwege die afvuurinstallatie en de voorraad raketten die mee moest, was de ruimte beperkt in die YP’s en YPR’s. De bemanning ervan werd dientengevolge geselecteerd op lengte en zodoende maakte ik deel uit van een peloton kabouters, geen grapje.

 

In antitankraketten was ik niet geïnteresseerd en hoe gezellig het ook was onder de kabouters met wie ik een peloton vormde tussen tientallen pelotons infanteristen van doorsneelengte, mijn doel was overgeplaatst worden naar Roosendaal. Alleen daar kon ik de commando-opleiding volgen en … hemel en aarde. Maar ik belandde in Roosendaal en ruim drie maanden later, drie weken voor het voltooien van de elementaire commando-opleiding, maakte ik me schuldig aan een wachtdelict.

 

Andere tijden! Een overall en een buitenjas was wat we hadden om ons te weren tegen de elementen. Na een dag in de regen, de kou en de modder kreeg wat over was van de bijna tweehonderd man waarmee we weken eerder de poort van de Engelbrecht van Nassaukazerne uitwandelden de opdracht in een weiland in de Belgische Ardennen de puptenten op te zetten. Verward van vermoeidheid bevestigden een lotgenoot en ik onze halve tentzeilen aan elkaar. We zetten er allebei een tentstok onder, sloegen ieder met een steen wat houten haringen in de grond en rolden onder de aldus verkregen puptent onze slaapzakken uit in de modder. Mijn lotgenoot liet zich voorovervallen en sliep voordat zijn lichaam zijn slaapzak raakte. Ik dekte hem toe met mijn slaapzak, kroop de puptent uit en begon aan mijn eerste wachtbeurt die nacht.

 

Na een uur waaraan geen einde leek te komen, wekte ik mijn opvolger en net nadat ik me in onze puptent tegen mijn lotgenoot had genesteld, sleepte iemand me aan een voet onze puptent weer uit. De sergeant-majoor Schepers, een van onze instructeurs. Meer dan vijftig meter sleepte hij me door de modder naar een kleine, warme tent. Hij sleepte me die tent in, liet mijn been vallen en beval me op te staan. Instructeurs zaten op stoelen type klap, kleur legergroen, mokken koffie in de hand. Ze keken me onheilspellend aan en intuïtief wist ik dat die nacht niet de nacht was mijn doelen uit het oog te verliezen.

 

Mijn opvolger was weer in slaap gevallen nadat ik hem had gewekt en omdat de kans dat dat zou gebeuren groot was, had ik moeten wachten tot hij zich wakker bij me had gemeld. Een wachtdelict. De luitenant die het bevel voerde over onze opleiding keek me hoofdschuddend aan en beval me plaats te nemen in de ééntonner, een ambulance, die altijd met ons meereisde. In die ééntonner zou ik de week warm, gevoed en voorzien van koffie uitzitten; ik was uit de opleiding ontheven. Mijn wereld stortte in. Koud en ellendig bleef ik staan waar ik stond. Instructeurs schraapten hun kelen, terwijl de luitenant een wenkbrauw optrok en vroeg of er iets mis was met mijn kroepoeken. Mijn stem weigerde dienst, instructeurs maakten aanstalten op te staan, maar de luitenant hief een hand op en zei: ‘Luister, cursist, aan het einde van deze week hoor jij twee klikken. Eén klik van je PSU-slot en één klik van de poort. Je neemt plaats in de ééntonner of je neemt vanaf nu alle wachtdiensten op je en benoem ik je tot het einde van de week tot cursist van dienst.’

 

De dagen die volgden, passeerden in een mist van kou, vermoeidheid en verdriet. Te pas en te onpas brulde een instructeur: ‘Klikklik!,’ en draafde ik op voor een klus die anders een van mijn collega’s zou zijn toebedeeld. Op vrijdagmiddag douchten we een paar minuten in een klein gebouw op de kazerne in Nederland, zoals we dat elke vrijdagmiddag verplicht waren te doen voordat we naar het tentenkamp op de Rucphense Heide marcheerden, dat tijdens onze opleiding onze uitvalsbasis was. Voor het douchen riep een instructeur de namen af van de cursisten die zich bij de luitenant moesten melden om te horen te krijgen dat hun ontheffing uit de opleiding een feit was …

 

Man, het waren mooie kerels waarmee ik drie weken later op een grauwe vrijdagochtend en op de tonen van Barry Sadlers Ballad of the green berets de Engelbrecht van Nassaukazerne binnenstrompelde. Ieder van die kerels zou zich zonder aarzeling als vrijwilliger hebben gemeld voor een spoedcursus IC-assistent. Trots zou ieder van hen na het voltooien van die spoedcursus de hem toegewezen diensten hebben gedraaid in een van de recent gesloten ziekenhuizen die in verband met een virusuitbraak weer waren geopend en dienstdeden als noodhospitaal voor de paar mensen die harder door het virus werden getroffen dan anderen. En natuurlijk zou geen van hen bezwaar hebben gemaakt tegen de vijftig gulden extra wedde die de overheid per dienst uitbetaalde, maar zonder die extra wedde zouden ze die diensten ook hebben gedraaid.

 

Een jaar na het voltooien van mijn commando-opleiding zette ik mijn zinnen op Libanon. Te laat, want het Libanondetachement werd opgeheven. Dat was niet waarop ik had ingezet en het kostte me wat moeite de twee deuren te vinden die zich onherroepelijk hadden geopend nadat de Libanondeur was gesloten. Vreemd, want ik had beide deurklinken binnen handbereik. Ik ging een langdurige relatie aan met de krijgsmacht óf ik trok het leven in. Een gemakkelijke keuze. Mijn enige werkelijke bezit was immers mijn tijd op aarde. Hoeveel ik daarvan had, wist ik niet en vanuit die optiek was het lastig te berekenen of ik arm of rijk was en durfde ik het risico niet te nemen mijn tijd te ruilen met de krijgsmacht voor een maandelijks salaris en een pensioen.

 

Ik trok via het schelmenpad het leven in, vond mijn eigen Libanon en … met vingers die daartoe nog niet bereid zijn, typ ik: Beste Mirjam, Prachtig, die acht kilo die je kwijt bent, maar de afspraak was dat je afscheid zou nemen van je weegschaal. Ik kan niet uit blijven leggen dat dat ding slechts onrust zaait. Volgende stap over een week en alleen als je weegschaal op eBay staat. Hoi, Nikko. Ik klik op verzenden, open de volgende mail en besef dat mijn gedachten het Klikklikincident nog niet hebben losgelaten. Weinig mensen kennen de sensatie alle grip op het leven te verliezen door langdurig fysiek ongemak en uitputting. Die ééntonner, destijds in de Belgische Ardennen, was aantrekkelijker dan ik me nu kan voorstellen, warm, uitgeslapen, een mok koffie in de hand. Als ik voor die ééntonner zou hebben gekozen, was ik een ander leven tegemoet gegaan, zoals de wereld een andere geschiedenis had gekend als Columbus met Beatriz de Arana was getrouwd en zoals onze toekomst geen vreugdevolle zal zijn als we niet subiet stoppen met het ons laten aanleunen van coronaonzin …

 

Vijfentwintig jaar na dat Klikklikincident stond ik opnieuw voor de keuze een langdurige relatie met de Nederlandse krijgsmacht aan te gaan. Waar ik de eerste keer bang was geweest op het vlak van avontuur bakzeil te halen, was ik de tweede keer bang mijn trots te moeten kielhalen en ik denk aan de uitnodiging die ik vorige week kreeg voor een podcast. De host van die podcast schreef me dat hij niet wilde praten over hoe ik ooit op Antarctica met een bevroren lasso op ijsberen joeg. Ik antwoordde hem dat ik in dat geval een probleem voorzag omdat ik nu eenmaal op Antarctica met een bevroren lasso op ijsberen jaag; dat is waarvoor ik mijn tijd graag ruil. En die vrienden die naar Nieuw-Zeeland gingen? Ach, we kennen dat verhaal allemaal wel: ze gingen niet.

 

Support me:

paypal.me Of doneer direct:

ES1100492183112014004990

BIC/Swift: BSCHESMM

t.n.v. Nikko Norte

 

Blog delen? Graag!

bottom of page