hldd0umdhyh5c7mglsn29ql0j-tre89i1w4h9m-533tsstg-4wd1kw-wetspv7ov6qf520qq6sl6dt-qwfy8gsd6y-pn8d9g-dm1iazu29-hpbioy52dq8xm12kf5x4n
top of page

Civiele zaak bombardement Hawija 2015

Nikko Norte

8 nov. 2023

Gepubliceerd in De Andere Krant van 8 november 2023.

Op 24 oktober behandelde de rechtbank in Den Haag de civiele zaak tegen de Nederlandse staat die advocaat Liesbeth Zegveld aanspande uit naam van slachtoffers van een Nederlands bombardement op een industrieterrein in de stad Hawija, in Irak, in 2015. Een aantal slachtoffers van het bombardement is in de rechtbank aanwezig. Hun relaas is hartverscheurend. De Nederlandse overheid oordeelt dat het bombardement met de kennis die we nu hebben niet had mogen plaatsvinden. Advocaat Zegveld bepleit dat de krijgsmacht in juni 2015 over te weinig inlichtingen beschikte om het bombardement wél te laten plaatsvinden.

 

Van oktober 2014 tot december 2018 neemt Nederland middels de inzet van F-16-straaljagers deel aan de operatie Inherent Resolve, een militaire operatie onder overwegend Amerikaans bevel die zich richt tegen de Islamitische Staat (IS) in voornamelijk Irak en Syrië. Al op 7 oktober 2014 werpen Nederlandse F-16’s drie bommen af in de buurt van het dorp Gursur, in Irak. Op 28 juni 2016 werpen Nederlandse F-16’s twintig kilometer ten noordwesten van het stadje Quayyarah, in Irak, een bom af. Die bom is de laatste afgeworpen bom in het kader van de eerste fase van de Nederlandse deelname aan operatie Inherent Resolve. Het was de achttienhonderdzestigste bom die Nederlandse F-16’s in een tijdsbestek van 21 maanden afwierpen op doelen in Irak.

 

Op 9 januari 2018 trekken Nederlandse F-16’s opnieuw ten strijde. Twee Nederlandse bommen ontploffen 24 kilometer ten noorden van het stadje Abu Kamal, in Syrië. Als op 31 december 2018 drie Nederlandse bommen vallen op een doel negen kilometer ten zuidenoosten van het Syrische stadje Hajin komt een einde aan de tweede fase van de Nederlandse deelname aan de operatie Inherent Resolve. Driehonderdnegenentwintig Nederlandse bommen vielen in een tijdsbestek van een jaar op doelen in zowel Syrië als Irak.

 

Tijdens operatie Inherent Resolve stellen de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zich verantwoordelijk voor negentig procent van de luchtaanvallen. Australië, België, Canada, Denemarken, Frankrijk, Jordanië, Saoedi-Arabië, Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten en Nederland stellen zich verantwoordelijk voor de overige tien procent van de luchtaanvallen, die tot doel hebben de Iraakse Veiligheidstroepen en de Syrische Democratische Strijdkrachten te ondersteunen in hun strijd tegen IS.

 

Al in juni 2014 valt in het noorden van Irak de stad Hawija in handen van IS. Veel vluchtelingen uit het drukker bevolkte zuiden van Irak komen in Hawija vast te zitten. IS belet hen de doorgang naar Turkije. Eind mei 2015 blijkt uit inlichtingen dat zich op een industrieterrein in Hawija een loods bevindt waarin IS verschillende types bommen bouwt, waaronder VBIED’s. Nederland krijgt de opdracht voor een bombardement op de loods en de burgers die rond het industrieterrein wonen noch de vluchtelingen die op het industrieterrein een tijdelijk onderdak hebben gevonden, hoeven zich zorgen te maken. Toen de Nederlandse overheid in 2014 immers besloot deel te nemen aan operatie Inherent Resolve gaf zij te kennen dat doelen alleen zullen worden aangevallen als vooraf uit berekeningen blijkt dat er geen burgers om het leven zullen komen. De commandant der strijdkrachten, generaal Middendorp, voegde daar destijds aan toe dat F-16-piloten heel gericht en heel precies doelen uit kunnen schakelen zonder nevenschade.

 

Nevenschade is er weldegelijk als Nederlandse F-16’s in de nacht van 2 juli 2015 zes bommen afwerpen op drie loodsen op het industrieterrein in Hawija. Zo’n vierhonderd gebouwen worden verwoest en ten minste zeventig burgers komen om het leven, waaronder 26 kinderen. Ruim honderd mensen raken ernstig gewond.

 

Het Nederlandse ministerie van Defensie is al snel op de hoogte van de nevenschade. De Battle Damage Assessment, die door een Nederlandse F-16-piloot wordt uitgevoerd, brengt onbedoelde nevenschade aan het licht en ook de Amerikanen laten de Nederlandse overheid weten dat er tijdens de aanval burgerslachtoffers zijn gevallen. “Mocht het onverhoopt toch misgaan,” beloofde de toenmalige minister van Defensie, Jeanine Hennis, in 2015, “dan worden al deze gevallen serieus onderzocht.” De Nederlandse overheid onderzoekt echter niets. Elkaar opvolgende kabinetsleden goochelen met woorden en als niet de NOS en NRC in 2019 een eigen onderzoek hadden uitgevoerd, dan zou de nevenschade na het bombardement op Hawija tot een doofpotaffaire zijn verworden.

 

Advocaat Liesbeth Zegveld brengt op 24 oktober in het Paleis van Justitie in Den Haag naar voren dat Nederland over te weinig inlichtingen beschikte om de aanval op de bommenfabriek in Hawija uit te voeren. Ze laat satellietbeelden zien waaruit is op te maken dat het industrieterrein drukbezocht was en stelt: “Geen inlichtingen is ook inlichtingen.”. Daarnaast brengt zij naar voren dat de inschatting van mogelijke nevenschade in de hoogste categorie viel en dat de zogenaamde Red Card Holder, de officier die een bombardement goedkeurt of eventueel op de laatste seconde nog afblaast, zich ten tijde van de aanval niet in Qatar bevond, in het operatiecentrum van operatie Inherent Resolve, maar in Jordanië bij het Nederlandse vliegersdetachement. Sterker, de Red Card Holder was de commandant van de vliegers in Jordanië en bekleedde dus twee functies.

 

Na het pleidooi van advocaat Zegveld geeft de rechtbank via een tolk het woord aan de burgermeester van Hawija, die zich hardop afvraagt hoe het kan zijn dat Nederland er niet van op de hoogte was dat zich in Hawija in juni 2015 veel vluchtelingen bevonden en dat een aantal van die vluchtelingen zich op het gewraakte industrieterrein bevonden, daar zelfs sliepen op de daken van gebouwen vanwege de warmte ín de gebouwen. Daarnaast vraagt hij zich af waarom de hoeveelheden munitie die in de loods waren opgeslagen niet zijn vernietigd voordat ze in Hawija belandden. Ook vraagt hij zich af waarom de inwoners van Hawija niet zijn gewaarschuwd voor het bombardement.

 

Na de burgermeester krijgt een van de slachtoffers het woord. Hij woonde een korte periode in Nederland maar besloot terug te keren naar Irak. Zonder hulp van een tolk zegt hij: “De chauffeur van de F-16 moet niet met zijn F-16 naar Irak komen. Hij moet in Irak op vakantie komen; het is een mooi land.” Een schuchter gegrinnik gaat door de rechtszaal. Het grinniken vergaat de aanwezigen als twee andere slachtoffers het woord krijgen. Beiden verloren kinderen en andere familieleden in de nacht van 2 juni 2015. Hun relaas is gruwelijk gedetailleerd en hartverscheurend.

 

Bij monde van de landsadvocaat geeft de staat in zijn pleidooi aan dat de inlichtingen juist wel op orde waren voor de aanval op de bommenfabriek en de landsadvocaat schermt met een procedure die CDE heet, de Collateral Damage Estimate, een geavanceerde technologie die berekent hoeveel schade een bepaalde vliegtuigbom in een bepaald gebied zal aanrichten. Na het bestuderen van die CDE was duidelijk dat de kans op burgerslachtoffers juist uiterst klein was. Drie loodsen zouden worden vernietigd. Aangrenzende loodsen, sommige op een afstand van slechts twintig meter, zouden gespaard blijven. De landsadvocaat geeft in zijn pleidooi toe dat bekend was dat de explosieven die al in de loods aanwezig waren een zogenaamde secondary explosion teweeg zouden brengen. Gebaseerd op ervaring die de coalitie had met het bombarderen van vergelijkbare doelen in Irak, Syrië en Afghanistan, aldus de landsadvocaat, was er geen reden aan te nemen dat de secondary explosion in Hawija tot grote nevenschade zou leiden.

 

De rechtbank laat een Nederlandse kolonel-vlieger aan het woord, die overigens niet bij het bombardement op Hawija betrokken was. De kolonel geeft aan dat de kracht van secondary explosions altijd – hoewel niet in Hawija – naar boven is gericht en hij legt ook uit hoe de Red Card Holder, in Jordanië, vanuit Qatar door twee liaisonofficieren, die geen inlichtingenofficieren waren maar wel ervaren vliegers, telefonisch op de hoogte werd gehouden van alle ontwikkelingen die voor een Red Card Holder van belang waren.

 

Een aantal zaken roept verwarring op. Een daarvan is dat de landsadvocaat zelf naar voren brengt dat secondary explosions niet in de CDE worden doorberekend. Daarnaast werden in de loodsen onder ander VBIED’s, Vehicle Born Improvised Explosive Device, wat de vraag oproept hoe is het mogelijk is de kracht in te schatten van een geïmproviseerd explosief. De landsadvocaat, om te illustreren hoe belangrijk de vernietiging van bommenfabrieken is, refereert aan een busje dat in Bagdad, in Irak, op 31 augustus 2016 als VBIED werd ingezet en 292 burgerdoden claimde. Dat voorbeeld van de staat verhoudt zich vreemd met de inlichtingen die er waren dat ten minste vier vrachtauto’s met explosieven de loods op het industrieterrein in Hawija waren binnengereden. En dan is er de Red Card Holder, die, als zich daartoe inlichtingen aandienen, een bombardement op de laatste seconde moet kunnen afblazen. Zijn taak als Red Card Holder is een verantwoordelijke taak en het mag worden verondersteld dat hij zich in die taak niet laat afleiden en dat hij zich bevindt waar inlichtingen worden verzameld en beoordeeld: in Qatar in dit geval. Dat zijn liaisonofficieren vliegers waren, is een vreemd argument omdat het voor het afblazen van een bombardement niet relevant is hóé bommen hun doel bereiken. Relevant is dat inlichtingen op de juiste wijze worden geïnterpreteerd en dat geen bom explodeert als dat tot onvoorziene nevenschade kan leiden, of die bom nu door een piloot in een vliegtuig wordt afgeworpen of door een artillerist via bijvoorbeeld een houwitser wordt afgeschoten.

 

Als advocaat Zegveld doorvraagt, blijkt de loods in Hawija slechts een korte periode met tussenpozen te zijn geobserveerd. Daarnaast leidt de opmerking van de landsadvocaat over ervaring met vergelijkbare doelen tot verwarring. Of een doel vergelijkbaar is, kan immers alleen achteraf worden vastgesteld. Als vóór een aanval niet duidelijk is hoeveel munitie in een loods is opgeslagen, is een vergelijk met eerdere doelen onmogelijk en advocaat Zegveld benadrukt dat met de woorden: “Of Nederland heeft geluk gehad tijdens het bombarderen van vergelijkbare doelen of eventuele nevenschade is niet onderzocht.”

 

En dat laatste lijkt ondanks de belofte van minister Hennis in 2015 waar te zijn. De Nederlandse overheid onderzoekt tijdens operatie Inherent Resolve geen meldingen van nevenschade tijdens bombardementen maar laat die onderzoeken over aan het Amerikaanse militaire hoofdkwartier Centcom. In 2020 zegt premier Rutte daarover: “Zij hebben alle kennis en ervaring en kunnen dit met heel veel gezag doen.” Een onderzoek dat het Amerikaanse ministerie van Defensie zelf doet naar de onderzoeksmethode van Centcom leidt al in 2018 tot de conclusie dat Centcom slechts een procedure doorloopt en niet werkelijk onderzoek doet. In 2021 bevestigt de New York Times dat. De krant leest meer dan 1300 onderzoeken die via een WOB-verzoek zijn verkregen en bezoekt zelf ruim honderd locaties waar sprake was van nevenschade na een bombardement. Centcom bezocht slechts één van die locaties en overlevenden of getuigen werden slechts in twee gevallen gehoord.

 

Had Nederland op 2 juni 2015 voldoende inlichtingen om een bombardement uit te voeren? Mag een bommenfabriek worden gebombardeerd als niet zeker is hoeveel explosieven in de fabriek aanwezig zijn? Is het verantwoord een zo belangrijke taak als die van Red Card Holder te laten uitvoeren door een officier die nog een andere taak vervult en vijftienhonderd kilometer verwijderd is van waar een Red Card Holder haar of zijn taak dient uit te voeren? De rechtbank doet op 17 januari uitspraak.

bottom of page